|
- het mislukte Uiterwaardenplan
In 1965 wordt door de gemeente Wageningen gronden in de Bovenste Polder aangekocht
met de bedoeling er een woonwijk te realiseren. Met de aankopen is zo'n f
30 miljoen gemoeid. Het zogenoemde Uiterwaardenplan vindt zijn oorsprong in 1954.
De gemeenteraad spreekt zich uit voor uitbreiding van de stad in de Bovenste Polder.
In 1964 wordt de mogelijkheid van bebouwing vastgelegd in het bestemmingsplan "Landelijk
Buitengebied". In 1968 wordt het Uiterwaardenplan door de gemeenteraad vastgesteld
en een jaar later door de provincie goedgekeurd. De tijd werkt echter tegen. In de
jaren die volgen wijzigt zich, niet in de laatste plaats door het ijveren van de
milieubeweging, binnen de overheid het denken over landschappelijke waarde. De PvdA
en het NVV hebben moeite om deze omslag in denken te volgen. Van de noodzaak tot
bouw van goede en betaalbare woningen zijn beide toch meer doordrongen dan van de
landschappelijke waarde die met het bebouwen van de uiterwaarden verloren gaat. Eind
1972 brengen zowel PvdA als NVV een nota uit waarin wordt gepleit voor een actief
woningbouwbeleid. Als handvat voor de aantallen te realiseren woningen wordt een
bevolkingsprognose gehanteerd. De prognose gaat uit van een minimum en maximum variant.
De meest voorzichtige prognose gaat uit van 35.000 inwoners in 2000. Om dat aantal
inwoners te kunnen huisvesten moeten er 1.300 woningen bij komen. Het moet worden
opgemerkt het is slechts één van de prognoses. Er bestaan er meer die
in de loop der jaren door voor en tegenstanders worden gehanteerd. Ze lopen uiteen
van 700 tot meer dan 4.000 woningen erbij met de daarbij corresponderende bevolkingsaantallen
van 25.000 tot 40.000. Voorspellen is moeilijk vooral als het om de toekomst gaat.
Achteraf, zo valt in NVV en PvdA kringen te beluisteren, is er misschien te weinig
rekening gehouden met de landschappelijke waarden, maar dat maakt de belangenbehartigers
van de werkende bevolking toch nog geen tegenstanders van woningbouw in de uiterwaarden.
Wel wordt onderkend dat de woningen in het plan te duur gaan worden.1
Het plan haalt het uiteindelijk niet. In 1976 keurt de Raad van State het raadsbesluit
tot vaststelling van het Uiterwaardenplan goed, maar de overlevering wil dat op een
goed (of slecht) moment in 1975 de minister van volkshuisvesting Hans Gruyters in
de mist over de dijk bij Wageningen reed en toen voor zichzelf tot de conclusie kwam
dat er niet gebouwd moet worden in de uiterwaarden. Hij is het die een schrap door
de plannen zet. Het standpunt van de minister wordt in de Wageningse PvdA niet op
prijs gesteld. Onverantwoord is de conclusie. Er zijn binnen de gemeente geen andere
locaties voor woningbouw voorhanden en woningen bouwen is nog steeds noodzakelijk.2
De ingreep van de minister is in zoverre toch weer wel gelukkig, want daardoor is
het voor de gemeente mogelijk de aankoop bedragen voor de grond terug te krijgen.
Om het faillissement van de gemeente te voorkomen koopt de Stichting Beheer Landbouwgronden
de gronden in de uiterwaard en verpacht deze aan boeren in de omgeving. Het eigendom
van het uiterwaardengebied gaat daarna eerst over in handen van de Dienst der Domeinen
en vervolgens in die van Staatsbosbeheer. De bestemming verschuift daarmee van 'agrarisch'
naar 'natuurbehoud'.
- programcollege
De polarisatie in de politiek is in volle gang, ook in de gemeenteraad van Wageningen.
Het adagium van deze tijd is helderheid vooraf, dus afspraken maken voor de verkiezingen
die wederom in 1974 plaats moeten vinden. De kiezers moeten weten waar je staat om
verantwoord hun stem uit te kunnen brengen. Omdat de confessionelen in de raad de
tegenpool vormen, kunnen daarmee geen afspraken worden gemaakt. Wel worden er afspraken
gemaakt, met PPR, PSP en D'66. Om de strategie te bepalen wordt zelfs een portfolio
opgesteld met op de horizontale balk de mogelijkheid van afspiegelings-, meerderheids-
of minderheidscollege afgezet tegen de varianten op de verticale balk: geen afspraken,
afspraken na de verkiezingen, afspraken vóór de verkiezingen. Op de
ledenvergadering van 28 januari 1974 wordt deze toch wel ingewikkelde benadering
simpel samengevat in de alles of niets strategie: "bij meerderheid alle wethouders,
bij minderheid oppositie." We zeiden het al de polarisatie is in volle gang.
Zoveel is wel duidelijk: als er bestuurlijke verantwoordelijkheid gedragen moet worden
dan is dat in een programcollege. Een regeerakkoord dus op gemeenteniveau. Een wel
heel boeiende bijdrage in de discussie wordt geleverd door Annie Ruitenberg die de
simpele conclusie van alles of niets in twijfel trekt:
"De progressieve drie gaan
er vanuit dat, als de conservatieve partijen (CDA en VVD) de meerderheid in de raad
behalen, dat zij de wethouders zullen leveren en de progressieve partijen oppositie
zullen voeren. Daar zit ik mee. Hier moet toch duidelijk vanuit gegaan worden dat,
een gemeentelijk bestuursorgaan iets heel anders is dan een landelijk bestuursorgaan.
Landelijk is de regering het bestuursorgaan dat afhankelijk is en gecontroleerd wordt
door het parlement. Dat laatste is echter niet zelf het bestuursorgaan. Bij het gemeentebestuur
is dat echter principieel anders. Aan het hoofd van de gemeente staat de raad. De
gemeenteraad is dus zelf het hoogste bestuursorgaan. Het college van B&W is niet
meer dan het dagelijks bestuur der gemeente en heeft zich te richten wat de gemeenteraad
wil of niet wil. B&W hebben geen eigen verantwoordelijkheid. Mijn vraag is, kan
men de verantwoording nemen om in het hoogste bestuursorgaan oppositie te gaan voeren
en mag men die verantwoording nemen tegenover de kiezers?"
De worsteling in de keuze tussen
oppositie of bestuurlijke verantwoordelijkheid kan nauwelijks beter worden verwoord.
Ruitenberg is trouwens haar tijd toch ver vooruit. Eerst in 2002 wordt de gemeentewet
gewijzigd en het zogenaamde duale stelsel ingevoerd.
De vraag wel of niet deelnemen aan het college komt in een geheel ander licht te
staan nadat de verkiezingen zijn verloren. Een linkse meerderheid komt er met 10
van de 21 zetels niet. De vraag: wat nu, ligt hemelsbreed op tafel. Wat betekent
niet praten met rechtse partijen? Niet praten met CDA en VVD of alleen niet praten
met de VVD? Cees van den Anker, de zittende PvdA wethouder, is er voor zichzelf nog
niet uit. Zijn oordeel is dat de bal bij het CDA ligt en afgewacht moet worden welke
kant die de bal op zal spelen. Als de bal naar ons wordt gespeeld dan zullen we moeten
onderhandelen. Het is misschien verstandig een minimumprogram op te stellen waaraan
het collegeprogramma moet voldoen. De keus is moeilijk want er zijn verkiezingsbeloften
gedaan. Uiteindelijk wordt het voorstel van Van den Anker overgenomen. Het wachten
is nu op het CDA. Die laat echter weten een PvdA, CDA, VVD college na te streven.
Het is voor de PvdA te veel van het slechte en Van den Anker wenst de partij alvast
"een goede en plezierige oppositie" toe. Er komt toch een gesprek met het
CDA tot stand en het minimumprogram wordt door het CDA aan de VVD voorgelegd. De
amenderingen van de VVD zijn niet acceptabel voor de PvdA en dat leidt weer tot een
dispuut met het CDA. Eind van het liedje is dat de PvdA buiten het college blijft.3
- vakbondshuizen aan de Spoorstraat
De Wageningse vakbeweging ijvert in de jaren zeventig van de twintigste eeuw
wederom voor goede en betaalbare woningen. De drie plaatselijke vakcentrales van
NVV, NKV en CNV trekken de stoute schoenen en nemen zelf het initiatief. Doel is
het realiseren van naar verhouding goedkope koopwoningen voor leden die starter zijn
op de woningmarkt. In 1974-1975 worden achttien woningen gebouwd aan de Sportstraat
voorheen de Eerste Buurtseweg. Bij de oplevering in de zomer van 1975 blijken er
nogal wat tekortkomingen te zijn. In alle huizen is de afwerking onvoldoende en er
zijn radiatoren met een te kleine capaciteit. Vrijwel unaniem besluiten de bewoners
de laatste betalingstermijn op te schorten totdat de gebreken zijn opgelost. De projectontwikkelaar
is er niet blij mee, maar dat maakt bij de bewoners weinig indruk en zelfs een aangetekende
aanmaning van de landsadvocaat werkt bij de meeste bewoners niet. Eerst nadat de
meeste problemen zijn verholpen wordt de laatste termijn betaald.
Het bouwplan slaagt maar voor een deel. De hypotheekrente kent in 1974 de astronomische
hoogte van 12 tot 13%. Door de slechte economische omstandigheden lukt het niet om
alle huizen te slijten aan vakbondsleden. De bouw start terwijl niet eens alle huizen
zijn verkocht. Ondanks een optie op grond aan de andere zijde van de Sportstraat
blijft het bij achttien huizen en krijgt het bouwplan van de drie vakcentrales geen
vervolg. Nu, na dertig jaar, overheerst bij de bewoners tevredenheid met hun woning.
Negen van de achttien huizen worden nog steeds door de eerste eigenaar bewoond.
- een stad in een stad
De Landbouwuniversiteit, de instituten en de proefstations, nu Wageningen Universiteit
en Research (WUR) hebben een buitengewone betekenis voor de stad Wageningen. Het
is een belangrijke factor in de werkgelegenheid al is de arbeidsmarkt in Wageningen
toch anders dan anders met zijn grote aantallen studenten en wetenschappelijke medewerkers.
Daarbij mag niet vergeten worden dat er ook belangrijke aantallen werknemers werkzaam
zijn in ondersteunende diensten. Na het wegvallen van de industrie in Wageningen
is de eenzijdigheid in werkgelegenheid wel groter geworden. De WUR is toch een beetje
een stad in een stad. Door zijn omvang en autonomie is het een machtsfactor die zich
op een bijzondere manier verhoudt tot het stadsbestuur. De noodzaak tot samenwerking
is groot, omdat er over en weer belangen zijn. In economische zin zorgt de WUR voor
nieuwe werkgelegenheid doordat allerlei kleine bedrijven, al dan niet uit een spin-off
ontstaan, aanleunen tegen het instituut. Voor de volkshuisvesting levert de vraag
van studentenhuisvesting een bijzondere vraag op vooral bij de start van het universitaire
jaar. Door de bijzondere arbeidsmarkt kent Wageningen weinig gastarbeiders, maar
wel veel buitenlanders die komen studeren of werkzaam zijn als wetenschapper. Er
zijn door het tijdelijke verblijf vanwege de studie heel veel 'oud'-Wageningers.
Er is daardoor toch zoiets als een 'old-boys and girls' netwerk. Op ministeries,
in de Tweede Kamer, bij adviesbureau's overal kom je ze wel tegen. Dat dat ook handig
kan zijn blijkt in de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Als gemeenten in de
grootte klasse van Wageningen gekort worden in hun uitkering uit het gemeentefonds,
blijkt dat ingangen hebben via de 'Oud-Wageningers' van invloed is. Via adviseurs
werkzaam op de ministeries en door middel van onderzoek naar de 'bijzondere positie'
van Wageningen kan de Directeur-Generaal op het ministerie overtuigd worden van het
feit dat Wageningen een andere kostenstructuur heeft dan andere gemeenten van gelijke
omvang. In het vervolg worden de studenten meegeteld als inwoners van de gemeente.
Het levert de gemeente 6,5 miljoen aan inkomsten op.
- terug naar verantwoordelijkheid
De oppositiebankjes knellen de PvdA te zeer om uit te zien naar een nieuwe raadstermijn
zonder collegeverantwoordelijkheid. Binnen de PvdA Wageningen heerst sterk de opvatting
dat met deelname in het college van B&W er meer te bereiken valt dan in oppositie.
Het experiment van 1974 om vooraf afspraken te maken met andere linkse partijen en
in te zetten op een linkse meerderheid in de raad wordt niet herhaald. Dat komt de
PvdA al direct te staan op een bestraffende brief van PPR en PSP die zich aan de
dijk gezet voelen. Volgens de PPR/PSP maakt de PvdA een denkfout. Er zou geen ander
beleid zijn gevoerd met de PvdA in het college. Rechts, in casus de fracties van
CDA en VVD tezamen, heeft immers de meerderheid in zetels!
De programma's van alle partijen worden naast elkaar gelegd om te beoordelen wat
overeenkomsten en verschillen zijn. De conclusie van deze vergelijking is:
"Met PSP-PPR en D'66 zijn
een groot aantal overeenkomsten, en weinig verschillen, met het CDA een aantal overeenkomsten
en verschillen. Voor wat betreft de VVD kan worden opgemerkt dat van vrij grote verschillen
sprake lijkt te zijn t.a.v. volkshuisvesting en ruimtelijke ordening en in mindere
mate t.a.v. onderwijs. Met CPN en SP zouden we in bepaalde concrete gevallen samen
kunnen werken, waarbij dan direct opgemerkt moet worden dat beide partijen in hun
programma's nogal eens geneigd zijn consequenties te vergeten en daarmee buiten de
gemeentelijke kaders stappen. In de programma's kan geen zwaarwegende aanleiding
worden gevonden om vóór aanvang van programonderhandelingen één
of meer partijen uit te sluiten, zij het dat voorzichtigheid geboden is t.a.v. de
VVD en in mindere mate het CDA."4
Hiermee is de weg naar een college
samen met het CDA heropend, de verkiezingsuitslag doet de rest. De college onderhandelingen
leveren niet alleen een college op van PvdA, CDA en D'66, maar ook een collegeprogram
van 30 dichtgetikte vellen A4. Veel aandacht wordt besteed aan welzijn en cultuur,
maar toch vooral ook aan ruimtelijke ordening en woningbouw. De bouwpartij die de
PvdA toch wezenlijk is heeft haar plaats weer ingenomen achter de bestuurstafel.
- Blankestijn: bouwer
Een fenomeen mag je Henk Blankestijn best noemen. Want 23 jaar wethouderschap
(1979-2002) mag dan misschien niet uniek zijn, maar zeldzaam is het in ieder geval.
Wil je zo lang blijven zitten dan moet je wel goed zijn, al is het maar in de grote
kunst van overleven in de politiek. Blankestijn behoort, om met Joop den Uyl te spreken
'tot het zondige ras der reformisten'. Eigenschappen die daarbij horen zijn toch
vooral: niet weglopen voor je verantwoordelijkheden, doelgericht zijn, samenwerking
zoeken, tot compromissen bereid zijn en ondertussen de haalbaarheid in de gaten houden.
Blankestijn heeft al die jaren beseft dat aanblijven geen vanzelfsprekendheid is
en nog minder een opeisbaar recht. "Elke vier jaar moet je om weten te schakelen.
Je werkt met een nieuwe ploeg en dus moet je ruimte weten te creëren voor nieuwe
mensen. Iedereen heeft het recht om zijn eigen fouten te maken. Natuurlijk hoor je
nieuwe mensen 'nieuwe' ideeën aandragen, maar het is natuurlijk fout om dan
snel te roepen: dat hebben we al eens gedaan en is toen ook mislukt. Soms een beetje
de ruwe kantjes er af halen om al te grote teleurstellingen te voorkomen, maar voor
de rest moet je er vanaf blijven."
Blankestijn is geen geboren, maar wel een getogen Wageninger. Twee jaar na zijn geboorte
in Amerongen op 24 juni 1947 ó nog altijd de recordzomer - komt hij met zijn familie
naar Wageningen. Zijn vader is uit Elst afkomstig en zijn moeder uit Amerongen. Aangezien
pa bij Schimmelpenninck werkt is wonen in Wageningen verkieselijker. Vader Blankestijn
is chef op de afdeling waar de soorten tabak worden gemengd om de vereiste kwaliteit
te krijgen. Het mengen gaat aan de hand van geheime recepten slechts aan een enkeling
bekend. Blankestijn verbaast zich er tot vandaag de dag over dat zijn vader vlak
voor zijn overlijden collega's informeert over de recepten alsof hij voorvoelt dat
zijn einde nadert. De familie Blankestijn komt in 1949 te wonen in Het Volkshuis
in de Heerenstraat. In ruil voor een lage huur nemen zij het beheer op zich. Het
Volkshuis telt drie verdiepingen. Op de eerste verdieping zijn twee zalen evenals
op de tweede verdieping. In de nok van het gebouw zijn enkele slaapkamers. Aangezien
vader Blankestijn overdag werkt komt het meeste werk in Het Volkshuis vooral op moeder
Blankestijn neer. Het Volkshuis wordt druk bezocht. Een 'normale' dagbezetting ziet
er als volgt uit: 's morgens, ouderen, tussen de middag, kantine voor het personeel
van Schimmelpenninck, 's middags Unie van Vrijwilligers en 's avonds vergaderingen
van bonden en verenigingen. Is het een woensdag dan zijn er 's avonds de Jehova Getuigen
en zondags is er een dienst van de Apostolische Kerk. Zaterdagsmiddags is het vast
pandoer dat Koos van Velzen, Willem Straatman en Cees Kooyman, het bestuur van Het
Volkshuis, langs komen om af te rekenen. Meestal wel een gezellige boel met een borreltje
en zo.
De PvdA beschikt al die jaren over sterke kandidaten voor de raad. En in tegenstelling
tot de rechtse partijen zijn dat meestal zeer gedreven mensen. Die gedrevenheid is
sterk sociaal gericht en onderwerpen als onderwijs, minima en betaalbare huurwoningen
zijn kernthema's. De bijzonderheid van Wageningen is dat ze voor een derde wordt
bevolkt door studenten. In de jaren waarin de studiefinanciering en de invoering
van de basisbeurs een grote rol spelen is er een politiek actieve studentenbeweging.
Die vindt je terug in de achterbannen van de linkse partijen. Daarna valt de actieve
studentenbeweging weg en dat merk je ook in de partij. In het laatste kwart van de
twintigste eeuw zien we de PvdA in Wageningen ó en niet alleen daar ó veranderen
van een bestuurderspartij, naar een actiepartij met bestuurderssentimenten en vervolgens
toch weer naar een bestuurderspartij, maar nu met actiesentimenten.
Europese politiek en gemeentepolitiek kunnen verrassend genoeg heel veel met elkaar
te maken hebben. Blankestijn wordt in 1978 voor de PvdA gekozen in de raad. Het idee
om wethouder te worden is er dan nog niet. Op zijn bereidverklaring om kandidaat
te zijn voor de raad laat hij nog weten geen ambitie in die richting te hebben. Cees
van den Anker wordt in 1978 opnieuw wethouder, maar staat ook op een opvolgingsplaats
voor de Tweede Kamer. Als in 1979 in de Kamer een vacature ontstaat, doordat een
zittend kamerlid vertrekt naar het Europese Parlement komt Van den Anker voor de
keuze te staan: Wageningen of Den Haag. Hij kiest voor het Kamerlidmaatschap. Om
de vacature van wethouder in Wageningen in te vullen zijn er vier kandidaten onder
wie Blankestijn. Een raadpleging van de achterban leert dat hij de voorkeur van de
twijfel krijgt en zo wordt het nog redelijk verse raadslid Blankestijn een kersverse
wethouder Blankestijn.
Gedurende de 23 jaar wethouderschap is er wel het een en ander gewijzigd in zijn
portefeuille, de start is: onderwijs en financiën, maar woningbouw behoort er
later ook toe. Blankestijn zet nadrukkelijk zijn stempel op de ontwikkeling in de
uitbreidingswijk Noord-West. Het probleem dat het wegvallen van de uiterwaarden als
locatie voor woningbouw achterlaat, is: waar zet je in Wageningen nieuwe woningen
neer? Het kost zo'n tien jaar van zoeken, voorbereiden en plannen voordat de Provincie
instemt met het plan Noord-West. Er zijn in dit plan nu zo'n 1.500 woningen gerealiseerd.
Blankenstijn's inspanningen zijn er op gericht om zo te bouwen dat ook minder draagkrachtigen
een koopwoning binnen hun bereik krijgen. Ook Irenestraat/Matenstraat is een bouwplan
die onder zijn verantwoordelijkheid tot stand komt. Het is de combinatie, van betaalbare
huur- en koopwoningen, die het hem doet. Het succes zit verstopt in het zo vroeg
mogelijk afspraken maken over de prijs. Mede dankzij de inventiviteit van Blankestijn
lukt het om tot een aanvaardbaar plan te komen ter ontwikkeling van het verpleeghuis
Pauwenhof en woningen tussen de Nude en de binnenstad. De nieuwbouw rond Bassecour
en Heerenstraat heeft de wethouder nogal wat lof doen oogsten, maar ook in deze omgeving
van de 'haute-architectuur' slaagt hij erin om voor sociale woningbouw een plaats
in te ruimen.5
Het recept van Blankestijn: "Wageningen is compact, dat is een gegeven. Daar
moet je dan ook consequent naar handelen. Niet elke keer een stukje erbij, maar compact
bouwen. Waarbij het aantal huurwoningen en het groen in de wijken overeind moet blijven.
Probleem is dat Wageningen een tussen servet en tafellaken gemeente is. Je bent eigenlijk
te klein om voorzieningen zoals de Schouwburg in stand te houden. Maar we zijn wel
studentenstad en je moet dus iets te bieden hebben. Ten aanzien van woningbouw moet
je zorgen dat er een goede mix is tussen koop en huurwoningen. Door middel van projectfinanciering
kun je dan de prijs drukken."
- driemaal is scheepsrecht
Het pand aan de Heerenstraat, waarin Het Volkshuis onderdak vindt, wordt in 1973
verkocht aan de Landbouw Hogeschool voor de prijs van f 61.000. De opbrengst
van de verkoop is bestemd voor een nieuw onderkomen, die meer aan de eisen 'des tijds'
voldoet. Het is nu zoeken geblazen naar een nieuw pand. In 1975 wordt gevonden wat
men zoekt. Het nieuwe Volkshuis zal gevestigd worden aan de Vergersweg 22-24. Het
nieuwe gebouw bevat een grote-, middelgrote en een kleine vergaderzaal en een ruimte
met een koffiecounter.6
Aan de woningnood van PvdA, FNV en bonden komt een eind of zoals het in de openingstoespraak
wordt gememoreerd: "Juist in een tijd waarin bezinning steeds noodzakelijker
wordt, bewustwording aan de basis van levensbelang is en democratische opbouw vanuit
de leden bikkelharde noodzaak bleek, viel het Volkshuis in Wageningen weg. Onder
ons gezegd: het is te merken geweest, de werkzaamheden van partij en bonden werden
zeer duidelijk belemmerd door deze handicap. Coördinatie werd moeilijk; kortom
zo kon het niet doorgaan!"
Op 20 maart 1976 wordt voor de derde keer Het Volkshuis te Wageningen geopend. Natuurlijk
zijn alle prominenten uit de arbeidersbeweging in Wageningen aanwezig. De belangstelling
is zo groot dat er een tent achter het nieuwe onderkomen moet worden geplaatst. Wim
Kok, dan nog als voorzitter van de FNV, verricht de feestelijke opening door het
onthullen van een portret van professor Schoute. De toespraak die Kok na de openingshandeling
uitspreekt gaat in op de economische situatie en is in het geheel niet feestelijk.
Niet alleen Nederland, maar de gehele wereld bevindt zich volgens Kok in een diepe
crisis. Van herstel is geen sprake zolang er meer dan 200.000 werklozen zijn. De
economische crisis de baas worden kan alleen als er internationaal wat gebeurt. Kok
noemt vijf uitgangspunten voor de vakbeweging: invoering van een vermogensaanwasdeling
(VAD) om winst om te zetten in werk, medezeggenschap moet in de bedrijven meer gestalte
krijgen, de inkomensontwikkeling van de vrije beroepen moet onder controle worden
gebracht en vanwege de inflatiebestrijding moeten ook de prijzen in de tang worden
genomen.
Het nieuwe Volkshuis kan geopend worden dankzij de vele donateurs die jaarlijks zo'n
f 3.000 in het laatje brengen, maar ook door de vele vrijwilligers die het
pand hebben opgeknapt.7 Op de receptie kan Het Volkshuis nog enige zeer
welkome geschenken in ontvangst nemen. De Abva schenkt een geluidsinstallatie, de
Vrouwenbond zorgt voor de gordijnen en enige huishoudelijke artikelen en van de PvdA
komt de offsetmachine waarop het nodige drukwerk van alle gebruikers van Het Volkshuis
kan worden gemaakt.
In de tent achter Het Volkshuis vindt na alle officiële handelingen nog een
feestje plaats met het Consumententoneel, cabaret Bloed Links, het 1-Mei-koor en
het A-sociaal Orkest.
- Rooie Vrouwen
Het fenomeen van Rooie Vrouwen in de PvdA bereikt Wageningen in 1977 als er een
afdeling wordt opgericht. Het afdelingsbestuur of beter in het jargon van de Rooie
Vrouwen contactvrouw en kerngroepleden zijn: Johanna van Etten, Ciska Israël,
Mien Smaling en Liesbeth Smith. Dat alle begin moeilijk is blijkt uit de stevige
discussie die plaats vindt op de eerste jaarvergadering, want er blijken wat gaten
in de organisatie te zitten o.a.: wie handelt de dagelijkse klussen af, wie neemt
snel te nemen beslissingen en hoe bereiken we niet-actieve rooie vrouwen.8
Van Etten zal één jaar contactvrouw voor de Rooie Vrouwen zijn, Smaling
is circa twee jaar secretaris als zij wordt opgevolgd door Peppe van den Anker.
Peter Glasbergen moet er nog altijd om lachen dat hij als enige man als voorzitter
van de afdeling van de PvdA bij de jaarvergadering van de Rooie Vrouwen aanwezig
is. Statutair is dat op de een of andere wijze zo geregeld. De invloed van de Rooie
Vrouwen is onmiskenbaar aanwezig in het collegeprogram 1978-1982 wat betreft emancipatiezaken.
De raadsfractie van de PvdA moet dat op coalitiegenoot CDA veroveren. De gemeente
stelt een emancipatienota op waar uit valt te leren dat er nog heel wat schort aan
het onderwijs en de werkgelegenheid. Een voorziening voor kinderopvang wordt wenselijk
genoemd. Een emancipatiewerkster wordt aangesteld en een werkgroep emancipatie, waarin
de diverse vrouwengroeperingen zijn vertegenwoordigd, ingesteld. Op initiatief van
vrouwen zelf ontstaat het vrouwenhuis aan het Bowlespark en het gastouderproject
ten behoeve van kinderopvang. In de Tien Zilverlingen, een kraakpand, is alvast maar
gestart met een kinderdagverblijf die geheel draait op vrijwilligers.
- Bestek '81
De nagedachtenis van het kabinet Van Agt/Wiegel, knus tot stand gekomen achter een
goed glas rode wijn in het Haagse Les Indes, zal immer op de arbeidersbeweging, en
in die van de PvdA in het bijzonder, werken als de befaamde rode lap op de stier.
De vrij plotselinge vorming van dit kabinet is immers de averechtse apotheose in
de maanden lange almaar niet lukkende formatiebesprekingen tussen CDA en PvdA. Het
vanzelfsprekende tweede kabinet Den Uyl komt er niet. Links Nederland heeft het nakijken
en wordt getrakteerd op een bezuinigingsoperatie onder de naam: Bestek '81. Het Landbouwkundig
Onderzoek (DLO) in Wageningen krijgt, net als zovele, te maken met de bezuinigingen.
Er moeten 53 formatieplaatsen verdwijnen en de bezuinigingsoperatie, die bij de DLO
de schone naam van "Posterioriteiten en prioriteiten" meekrijgt, moet vier
miljoen gulden opleveren. De afdeling van de ABVA in Wageningen tracht zich te verdedigen
tegen deze bezuinigingen met een notitie waarin wordt ingegaan op de achtergronden
en de consequenties van de beoogde maatregelen. Zeker is ook, aldus de ABVA, dat
na Bestek '81 verdere bezuinigingen gaan komen. In de vakgroep Gemeente is het ook
allerminst rustig. Fusies zijn aan de orde van de dag. De woningstichtingen hebben
het voornemen samen te gaan en het gemeentelijke Gas- en Waterleidingbedrijf fuseert
met de N.V. Veluwsche Nutsbedrijven. De bonden kunnen een goed sociaalplan afsluiten
die een brede instemming krijgt van de leden.9 Niet alleen in werkgeversland
speelt de fusie een belangrijke rol. In werknemersland is de fusie gedurende de jaren
zeventig van de vorige eeuw een heel normaal verschijnsel. In het kielzog van de
vorming van de FNV federeren en fuseren alle NVV en NKV bonden met elkaar zo ook
de ABVA en de KABO. Fuseren wat letterlijk zoveel betekent als samensmelten wordt
door de ambtenarenbonden wel heel letterlijk opgevat als het gaat om hun naam. ABVA
en KABO wordt gewoon ABVAKABO. De afdelingen van beide bonden in Wageningen starten
in 1980 een samenwerking en federeren op 1 januari 1981.
- boos op Koos
De stortvloed aan acties in de herfst van 1983 tegen het kabinet Lubbers zijn
niet het gevolg van een snel opkomend ongenoegen, maar vanwege een al jaren groeiende
broeierige sfeer in het georganiseerd overleg. Vanaf 1978 worden ambtenaren en trendvolgers
met bezuinigingen belaagd. In dat jaar wordt bekend gemaakt dat in het vervolg elk
halfjaar een half procent op de trend (het volgen van de ambtenarensalarissen van
de gemiddelde loonontwikkeling in het bedrijfsleven) wordt gekort gedurende de periode
1979-1981. Maar er is meer. Het kabinet besluit de nacalculatie 1980 niet uit te
betalen. Na Bestek '81 gaan de bezuinigingen door al heet nu de stuurman aan het
roer van het schip van staat: Lubbers. Bestek heeft weinig anders opgeleverd dan
bezuinigingen. Het beoogde effect: verbetering van de werkgelegenheid is niet waarneembaar,
maar wel is het financieringstekort groter dan ooit. In 1982 beleeft Wageningen een
ongekend aantal acties onder ambtenaren en trendvolgers. Bij het Wagenings Lyceum
is er een staking van onderwijzend en niet-onderwijzend personeel. Er zijn protestbijeenkomsten
op de Landbouwhogeschool en het personeel van de Pauwenhof organiseert demonstratieve
acties. De protestvergadering op de LH op 17 november 1982 eist de intrekking van
de 1,65% extra korting op de salarissen van het onderwijspersoneel en wijst de bevriezing
van de ambtenarensalarissen in 1983 af. Besloten wordt een week later opnieuw een
demonstratieve bijeenkomst te houden. Op de middag van 26 november leggen 175 personeelsleden
van de Landbouwhogeschool het werk neer om naar de demonstratie te gaan. In de week
daarvoor is het personeel bij het Wagenings Lyceum in staking. De staking duurt een
week.10 De grief bij het onderwijzend personeel is de eenzijdige korting
van 1,65%. Hun motivatie: bezuinigen liever niet, maar als het moet dan wel iedereen
gelijk. De laagstbetaalden worden geconfronteerd met een inkomensachteruitgang van
4%, terwijl de hoogste inkomens slechts op de 0-lijn worden gezet.
De voorstellen voor de arbeidsvoorwaarden in 1984 van de minister van Binnenlandse
Zaken Koos Rietkerk aan de ambtenarenbond slaan op het hoofdkantoor van AbvaKabo
in als een bom. Er komt in 1984 geen prijscompensatie. De loonontwikkeling in het
bedrijfsleven (de trend) mag niet gevolgd worden. De brutosalarissen gaan integraal
met 3,5 procent omlaag. De besparingen die dat oplevert zal voor 80 procent worden
gebruikt voor herbezetting van arbeidsplaatsen. In ruil daarvoor wordt twee procent
arbeidstijdverkorting aangeboden. De korting van 3,5 procent wordt door de centrales
van overheidspersoneel vierkant van de hand gewezen. Jaap van de Scheur, de in 2003
overleden, legendarisch geworden voorzitter van de AbvaKabo zij het aldus: "In
de troonrede werd gesproken van een noodzakelijke solidariteit binnen de samenleving
om uit de huidige problemen te komen. Het voorgestelde kabinetsbeleid is daar volkomen
mee in tegenspraak. Ambtenaren, trendvolgers en uitkeringsgerechtigden worden ten
opzichte van de werknemers in de particuliere sector ongelijk behandeld. De ambtenaren
worden opnieuw de sluitpost van de begroting." Demonstraties, prikacties, stakingen
bij verschillende overheidsdiensten verspreid in het hele land zijn een gevolg van
de breuk in het overleg. De ambtenaren acties houden tijdenlang de aandacht van Nederland
gevangen. Blikvanger is de sticker met de leuze 'Boos op Koos'. Hoe breed de acties
ook zijn het kabinet wordt er niet of nauwelijks door beroerd. De ingediende begroting
wordt door de kamer, steunend op de regeringsfracties CDA en VVD, zonder veel problemen
aanvaard. De bezuinigingen gaan dus gewoon door. De 'strijdlust'die een jaar eerder
in Wageningen onder ambtenaren aanwezig is is nu geheel verdwenen. Meer dan een enkele
protestbrief en een voorlichtingsvergadering zit er niet in. De lauwheid in Wageningen
is zeer tegen de zin van het afdelingsbestuur die verschillende pogingen doet om
de ambtenaren in Wageningen in beweging te krijgen. Het actiecomité van de
vier centrales van overheidspersoneel in Wageningen ziet evenmin kans acties van
de grond te krijgen waar je werkelijk iets mee naar buiten brengt.11
- het einde van Het Volkshuis
De financiële situatie van de Stichting tot exploitatie van een Volkshuis
te Wageningen is in 1994 gezond. Er is sprake van een voldoende eigen vermogen en
de begroting voor 1994 sluit. Daarbij moet wel in ogenschouw worden genomen dat er
nauwelijks personeelskosten zijn. Mocht door de terugloop van het aantal vrijwilligers
personeel noodzakelijk worden dan zorgt dat vrijwel onmiddellijk voor een negatief
resultaat. Het aantal vrijwilligers is echter wel het grote knelpunt. Om die reden
wordt in 1994 serieus gekeken naar de toekomstmogelijkheden van het Volkshuis. Het
bestuur komt in haar afwegingen tot een aantal conclusies.
"Het Volkshuis in zijn huidige
setting heeft niet voldoende bestaansmogelijkheden. Debet aan die situatie is de
teruglopende betrokkenheid van de leden van participanten in het Volkshuis, maar
ook aan de betrokkenheid van de participanten zelf. Een (semi-)professionele barbediening
die nodig is om het huis op zinvolle wijze bruikbaar te houden is alleen te realiseren
als de verhuur van het gebouw aan derden op zeer grote schaal zal plaatsvinden. Voor
een dergelijke verhuur zijn kandidaat-huurders aanwezig, maar dan wel buiten de kring
van participanten. Een dergelijke stijging in de verhuur maakt een ingrijpende verbouwing
noodzakelijk. Met een dergelijke verbouwing en een bestaan dat primair gefundeerd
is op verhuur aan derden verdwijnt de huidige doelstelling naar de achtergrond. Het
is in redelijkheid niet vol te houden dat als de inkomsten van het huis voor meer
dan 75% uit verhuur aan derden bestaat, dat dat geen middel is om het huis in stand
te houden. Het verhuren wordt daarmee een doel op zich."
De conclusies van het bestuur
laten weinig ruimte en dat komt dan ook tot uitdrukking in het eindadvies:
"Stoot het gebouw aan de
Vergersweg af, en laat de Stichting Het Volkshuis voorlopig een sluimerend bestaan
leiden. Dienen zich op een termijn van 2 á 4 jaar geen zodanige nieuwe ontwikkelingen
aan waardoor verwerving van een ander gebouw, liefst in samenwerking met een regiokantoor
van een bond zinvol is, liquideer dan de Stichting Het Volkshuis en verdeel het kapitaal
onder de participanten."12
De vergadering van het FNV besloot
echter om door te gaan. Er werd een commissie van wijze mensen, drie uit de PvdA
en drie uit de FVV, gevormd die met een nieuw voorstel moesten komen. De nieuwe Statuten
bepalen dat een batig saldo bij liquidatie aan "Goede Doelen" wordt gegeven.
Dat maakte het mogelijk dat in 1997 de PvdA besloot de stichting te verlaten. Gerard
Jongedijk, toen secretaris van de PvdA: "We hebben er lang en breed met de leden
over gepraat. We zijn tot de conclusie gekomen, dat dit Volkshuis niet meer van deze
tijd is."13
Mogelijk staat het pand op de nominatie om gesloopt te worden. Dan zal de stichting
worden opgeheven. Van de baten kan dit boekje aan de Wageningse bevolking worden
aangeboden. Tot zolang blijft Het Volkhuis doordraaien ten behoeve van bonden, verwante
politieke partijen en andere sociale organisaties.
Honderd jaar nadat Lindeman de aanzet gaf en Schoute de nodige acties ondernam voor
de realisatie komt er een einde aan Het Volkshuis. De wereld is veranderd en de belangstelling
van leden en burgers is een andere geworden. Of dat ook betekend dat er geen behoefte
meer is "om in rust te kunnen verpozen na den arbeid", zal nog moeten blijken.
- waarin Wageningen bijzonder is
Het Volkshuis: kruispunt van de paden die partij en vakbeweging bewandelen en
waar progressief Wageningen ó en zij niet alleen ó 'in vergadering' bijeenkomt.
Is het het Volkshuis dat Wageningen toch wat anders dan anderen maakt, of zijn er
nog andere zaken in het spel? Na bijna een eeuw Volkshuis is het de hoogste tijd
voor een evaluatie.
Henk Blankenstijn heeft een tweeslachtig gevoel ten aanzien van het Volkshuis. "Het
heeft", aldus Blankenstijn, "toch wel erg veel energie gekost om de samenwerking
in en om het Volkshuis in stand te houden." Rinus Tazelaar brengt voorzichtig
de mening te berde: "er is in het Volkshuis toch ook veel vakbondstraditie waardoor
de erosie in de activiteiten van de arbeidersbeweging hier later is ingetreden dan
eldersÖ.?" Dick Masdorp voelt die traditie niet zo erg "het is toch wel
heel veel ambtenaar, die sigarenmakers bijvoorbeeld heb ik in ieder geval nooit gezien."
Tazelaar, die begin jaren zeventig aantreedt als Volkshuis voorzitter, heeft uit
die tijd toch nog het gevoel dat tradities er wel degelijk toe doen. Natuurlijk vooral
door de mensen. De vorige generatie vakbondsbestuurders en partijleiders zijn nog
volop aanwezig en maken je deelgenoot van hun motivatie. Natuurlijk speelt ook het
nieuwe elan van die jaren een belangrijke rol. Het feit dat de Heerenstraat is verkocht
en het geld op de bank staat geeft in ieder geval Tazelaar een ongemakkelijk gevoel.
Tenslotte is het niet je doel om geld te bezitten, maar om een plek te bieden aan
actieve mensen. De vraag: waarom heb je eigenlijk een Volkshuis is na zo'n ontboezeming
een logisch vervolg van het gesprek. Het lijkt erop dat elk van de drie generaties
'volkhuisstichters' daarbij toch zo zijn eigen ideeën heeft gehad. Lindeman
en Schoute, de eerste generatie, staat duidelijk een plek voor ogen waar een werkman
bezig kan zijn aan z'n emancipatie. De uitspraken van Schoute bij de opening in 1905:
het is belangrijk dat de arbeider in rust kan verpozen na de arbeid en goede literatuur
ter beschikking krijgt om aan zijn geestelijke ontwikkeling te kunnen werken, laten
over zijn bedoelingen weinig misverstand bestaan. De tweede generatie, Driever en
Braakman, reageren adequaat op de voorgenomen verkoop van het Volkshuis door De Voorpost.
De dreiging om een vergaderplek te verliezen in een stad waar de mogelijkheden voor
vergaderen toch al niet groot zijn is hun grootste drijfveer. De derde generatie
oprichters heeft behoefte aan een eigen plek vooral toch uit een behoefte aan identificatie.
Tazelaar brengt dat bij de opening in 1976 tot uiting: "Juist in een tijd waarin
bezinning steeds noodzakelijker wordt, bewustwording aan de basis van levensbelang
is en democratische opbouw vanuit de leden bikkelharde noodzaak bleek, viel het Volkshuis
in Wageningen weg. Onder ons gezegd: het is te merken geweest, de werkzaamheden van
partij en bonden werden zeer duidelijk belemmerd door deze handicap. Coördinatie
werd moeilijk; kortom zo kon het niet doorgaan!"
Tazelaar, geconfronteerd met zijn uitspraken van toen, zegt daar nu van (met een
glimlach op het gezicht): "ja, die uitspraak past wel heel erg in die tijd,
misschien moet je wel zeggen dat het sterk gedateerd is." Voordat de nostalgie
in het gesprek definitief toeslaat komen er ook enige twijfels aan de orde. Misschien
moet je achteraf wel zeggen de eerste zichtbare scheurtjes. De jaren zeventig zijn
ook de jaren waarin de PvdA actief opzoek is naar zijn electoraat. De wijken in,
is het devies. De bijeenkomsten van de partij verplaatsen zich naar locaties elders
in de stad. De binding van de PvdA aan het Volkshuis is dan ook duidelijk minder
dan die van de bonden.
Blankestijn mijmert nog even verder over die tijd. Natuurlijk heeft het Volkshuis
iets van een eigen honk, je eigen nest geur. "Je vroeg niet waarover het ging.
Je kwam gewoon. Het ging tenslotte over het Volkshuis."
Voor iedereen is het echter glashelder, die tijd is definitief voorbij. Henk Slegte:
"De jeugd heeft een andere verwachting. Er zijn nieuwe middelen, het moet allemaal
veel directer." Op de vraag of het dan toch allemaal maar een lifestyle is,
reageert Masdorp als eerst. Enigszins geprikkeld, stelt hij, dat het bestaan van
het Volkshuis in verband brengen met een maatschappelijk lifestyle onzin is. Achteraf
verbaasd hij zich er wel over hoeveel tijd, vooral avonden, je bereidt was om in
het Volkshuis te steken. Voor Ben Brouwer is dat niet zo'n verbazingwekkende zaak.
Als FNV bestuurder voelde ik me erg ongelukkig in de periode dat we niet over een
eigen honk beschikte. Je wilt toch graag een vertrouwd huis, waar je de mensen kent
en waar je kunt zeggen wat je wilt. Dat laatste is voor Masdorp ook heel herkenbaar.
Je wilt nu eenmaal graag ergens bijhoren, noem het maar identiteit of desnoods groepsidentiteit.
De band tussen partij en vakbeweging lijkt in Wageningen intensiever te zijn dan
elders, maar in ieder geval heeft de relatie langer stand gehouden. Komt dat door
het Volkshuis waar beide in participeren? Is het dat wat Wageningen anders maakt?
Blankestijn denkt dat het wel degelijk een rol speelt, maar er is voor hem toch meer
dat Wageningen speciaal maakt. De ontmoetingsplek die het Volkshuis ontegenzeggelijk
is zorgt voor het 'sociale netwerk'. Ook voor je werk in de gemeenteraad zorgt dat
voor de broodnodige informatie. Je krijgt in het Volkshuis als ware voeding in wat
er leeft. Als er iets broeit dan weet je dat, maar je weet dan ook waar je steun
zit. Een mooi voorbeeld is de wens in de gemeentepolitiek, uit oogpunt van werkgelegenheidsbeleid,
om bij aanbestedingen de plaatselijke aannemers voorrang te verlenen. De contacten
in het Volkshuis maken al snel duidelijk dat dat niet zoveel zin heeft omdat er helemaal
geen plaatselijke aannemers zijn. De bijzondere opbouw van de gemeente met zijn Landbouwuniversiteit
is een andere factor waarom Wageningen afwijkt. Vooral in de jaren waarin zaken als
het collegegeld en de prestatiebeurs belangrijke politieke thema's zijn is Wageningen
een roerige studentenstad. De studentenbeweging maakt links front en dat heeft zijn
weerslag op de linkse partijen. Er is sprake van concurrentie tussen PvdA, PSP en
CPN. Een ieder doet wel pogingen, om rooier te zijn dan andere. De Zuid-Afrika boycot,
de aanpak van AH met zijn sinaasappels uit verkeerde landen, het zijn thema's die
met enige heftigheid, maar ook met graagte worden opgepakt. De tegenstelling van
een kleine stad met een Universiteit met wereldvermaardheid zorgt ervoor dat Wageningen
opener is, minder een Veluwse plaats. Meer 'westers' dan de omringende plaatsen.
De bevolking van de Universiteit maakt de plaats meer kosmopolitisch. Deze bijzondere
omstandigheden laten ook de arbeidersbeweging niet onberoerd. Al van aanvang af zijn
er intellectuele invloeden. Denk maar aan Schoute en zijn bemoeienissen met de stichting
van het Volkshuis. Na de Tweede Wereldoorlog zien we ondermeer professor Tendelo
die jaren in de gemeenteraad zit voor de PvdA. In de opbouw van de vakbeweging zien
we de overheersende rol van de ambtenarenbonden. De Universiteit is hofleverancier
van kaderleden in FNV, PvdA en Volkshuis. Ook vanuit de studentenbeweging zijn er
voorbeelden. Anton Richter, een linkse student, wordt lid van de Voedingsbond en
zal daar ook jarenlang actief voor zijn. De vraag of je Wageninger bent zou in zowat
elk andere plaats een vraag zijn naar de plek waar je wieg heeft gestaan. In Wageningen
is het meer een vraag naar wat je doet. Of zoals het wel eens plastisch is verwoord
"je bent Wageninger als je werkt of zit bij het Rijk."
|