|
- een koninklijk begin
Eeuwenlang heeft de wetenschap zich niet met de landbouw bemoeid, maar loopt
met opgetrokken neus om de mesthoop van de boer heen. De boer gaat zijn eigen gang
op grond van traditie en ervaring. Rond de wisseling van de achttiende naar de negentiende
eeuw komt daar verandering in en groeit de belangstelling voor de landbouw als bestaansbron.
Nieuwe denkbeelden over vruchtwisseling, over grondbewerking en over toepassing van
werktuigen bereiken ons van over de grens. Door de snelle ontwikkeling van de natuur-
en scheikunde in de tweede helft van de negentiende eeuw komen het behoud van de
vruchtbaarheid van de bodem en de mogelijkheid van het gebruik van kunstmest in het
centrum van de belangstelling te staan.1
Bij besluit van koning Willem I in 1815 wordt 'landhuishoudkunde' als nieuw vak toegevoegd
aan de faculteiten voor wis- en natuurkunde aan de universiteiten van Groningen.
Leiden, Amsterdam en Utrecht. We verstaan nu onder het begrip landhuishoudkunde:
de economie van de landbouw, maar toen was het een meer alles omvattend begrip. Het
volgen van de colleges wordt verplicht gesteld voor studenten theologie. De achterliggende
gedachte is simpel, predikanten op het platteland kunnen met hun verworven landbouwkennis
praktische voorlichting geven. Deze mogelijkheid tot zendingswerk wordt echter door
de predikanten in spé niet op prijs gesteld en zij verzetten zich tegen het
gedwongen volgen van de colleges. Daar komt bij dat kennis van de landbouw nog vrijwel
uitsluitend berust op praktische ervaring. Het is te weinig om 'wetenschappelijk'
te kunnen zijn en zo leidt het goed bedoelde besluit van Willem schipbreuk. Enkele
tientallen jaren wordt er doorgemodderd, maar in 1878 worden de leerstoelen voor
landhuishoudkunde aan de universiteiten opgeheven.
- een Hoogere burgerschool met driejarige cursus en voortgezet landbouwonderwijs
In 1863 wordt, mede door het ijveren van dr. W.C.H. Staring, zoon van de dichter
A.C.W. Staring, in de Wet op het Middelbaar Onderwijs opgenomen: "Er is een
Rijkslandbouwschool, indien in de behoeften aan landbouwonderwijs niet op andere
wijze wordt voorzien." Hoewel er op andere wijze niet wordt voorzien, er zijn
domweg geen leraren beschikbaar, komt de Rijkslandbouwschool er voorlopig niet. Het
is te danken aan de transfer van dr. Otto Pritsch in 1873, dat Wageningen het centrum
van de landbouwwetenschap in Nederland met wereldvermaardheid kan worden. Pritsch
is een Duitser, die landbouwkunde doceert aan de HBS te Warffum. In 1873 verhuist
hij naar de HBS te Wageningen. De landbouwkunde in Warffum gaat onmiddellijk ter
ziele.
In 1876 neemt het rijk de Wageningse HBS met landbouwkunde over en promoveert het
tot Rijkslandbouwschool. Door een reorganisatie wordt de school meer in overeenstemming
gebracht met de wet van 1863. Er zijn drie afdelingen aan de school verbonden. Afdeling
B is meer in het bijzonder voor wetenschappelijk onderwijs bedoeld. De school heeft
een botanische tuin en proefvelden ter beschikking.2 Nog in hetzelfde
jaar wordt er een Landbouwproefstation aan de school verbonden.
Wageningen als vestigingsplaats van de Rijkslandbouwschool is door Staring aanbevolen.
Zijn argumenten zijn: centrale ligging, grote verscheidenheid van grondsoorten in
de omgeving en nabijheid van de spoorweg waar leraren en leerlingen voor half geld
mee kunnen reizen, maar vooral het feit dat de stad niet zo groot is "dat landlieden
voor eene te sterke ontwikkeling van stadsbegeerten en steedse neigingen, bij hunne
zonen behoeven beducht te zijn".3 Om aan gekwalificeerde docenten
te komen zijn een vijftal onderwijzers naar Duitsland gestuurd voor een opleiding
tot landbouwleraar. Tot de eerste leraren behoort J. Ritzema Bos, naar wie de Ritzema
Bosweg is vernoemd. Ritzema Bos is de grondlegger van de plantenziektekunde in Nederland.
In 1918 zal hij benoemd worden tot hoogleraar aan de Landbouwhogeschool. De groei
van de nieuwe school is voorspoedig. Met regelmaat worden nieuwe vakken in het programma
opgenomen: 1880 'koloniale landbouw', 1883 'houtteelt', het begin van de bosbouwkundige
opleiding, 1891 'houtvester in Nederlands-Indië', 1896 'tuinbouw', 1899 'Nederlandse
bosbouw'. Het niveau van het onderwijs groeit van middelbaar naar hoger onderwijs
en de naam van de school wordt in 1904 daarop aangepast: Rijks Hoogere Land-, Tuin-
en Boschbouwschool. De status van de school zal nog een aantal jaren in discussie
blijven. Er is een stroming die het hoger landbouwonderwijs bij de universiteiten
wil onderbrengen. In 1918 wint Wageningen definitief het pleit en krijgt definitief
de Landbouwhogeschool. De leraren worden hoogleraren en de afgestudeerden mogen zich
sieren met de titel van landbouwkundig ingenieur.4
Aan de Landbouwhogeschool kan men zich bekwamen in vier richtingen: Nederlandse landbouw,
Koloniale landbouw, Nederlandse en Koloniale bosbouw en Tuinbouw. Deze indeling zal
tot na de Tweede Wereldoorlog standhouden. Na 1945 wordt het aantal specialisaties
binnen de richtingen aanzienlijk uitgebreid. In 1940 is het instituut uitgegroeid
tot 500 studenten, die worden opgeleid door 33 hoogleraren, 5 lectoren en 12 docenten.
- Station voor Maalderij en Bakkerij
Uit het Landbouwproefstation van Zaadcontrole splitst zich in 1910, op particulier
initiatief, het Station voor Maalderij en Bakkerij af. De vereniging die het station
sticht is in 1906 opgericht op initiatief van de Nederlandschen Bakkersbond.
Doel van de vereniging is het publiek te beschermen tegen het kopen en gebruiken
van vervalste producten en grondstoffen en het oprichten en onderhouden van een vakschool.
Het onderwijs aan bakkers wordt in 1912 uitgebreid met onderwijs aan molenaars. Het
station verzorgt kwaliteitsonderzoek met behulp van monsters van producten en grondstoffen
en adviseert terzake inrichting van bedrijven en instellingen op het gebied van maalderij
en bakkerij. Het station biedt in 1930 aan 20 personen werk en heeft jaarlijks zo'n
twintig leerlingen.5
- Marin
Het Maritiem Research Instituut Nederland (Marin) is op 28 juni 1929 in gebruik
genomen onder de naam van Nederlandsch Scheepsbouwkundig Proefstation. Het idee van
een maritiem proefstation is van oudere datum, maar alle pogingen daartoe leiden
schipbreuk. In 1927 wordt het idee weer opgepakt en komt er een sleeptank voor proefnemingen.
Naast de overheid nemen in de stichting deel: de Stoomvaartmaatschappij Nederland,
de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd, de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij en de
Nederlands-Indische Tankstoombootmaatschappij.6 Een voor de hand liggende
vestiging bij een van de grote havensteden blijkt niet mogelijk vanwege hoge grondprijzen,
maar ook vanwege de bodemgesteldheid in het westen van het land die voor het bouwen
van een groot waterbassin extra kosten meebrengt. De gemeente Wageningen stelt om
niet een stuk grond van 2,5 hectare beschikbaar en weet zo het proefstation binnen
de gemeente te krijgen.7 Als op 8 april 1932 de officiële opening
aan de Haagsteeg plaatsvindt, beschikt het proefstation over een sleepbassin van
165 meter, een werkplaats voor het maken van scheepsmodellen en een instrumentmakerij.
In 1941 vindt er een uitbreiding plaats met een cavitatietunnel. Cavitatie is het
imploderen van gasbellen die ontstaan in het wisselende lagedrukgebied bij een (snel)
bewegend voorwerp in een vloeistof. Het oppervlak kan daardoor in korte tijd corroderen.
De tunnel wordt gebruikt om scheepsschroeven te beproeven. In 1952 wordt het sleepbassin
vergroot en de capaciteit van de tekenkamer uitgebreid. In 1956 komt er een nieuwe
zeegangstank en nog eens twee jaar later een ondiepwatertank. Het proefstation is
hierdoor in staat te voldoen aan de vraag uit alle delen van de wereld. Aan de groei
komt nog geen einde. In 1965 worden een hogesnelheidstank van 220 meter en een golfstromingstank
van 40x60 meter in gebruik genomen. In 1970 volgen een manoeuvreersimulator en een
vacuümtank in Ede.8
Medio 1999 wordt een nieuwe offshoretank en een gecombineerde zeegangs- en golfstromingstank
in gebruik genomen. Op de plaats van de oude zeegangstank verrijst een kantorencomplex.
De organisatiegraad bij het Marin is laag. Ondanks dat wordt door de directie en
de OR regelmatig overlegd met de bonden van FNV, CNV en Unie. Voor reorganisaties
is er een goed sociaalplan.
- volksonderwijs
Nederland heeft een grote naam op het gebied van onderwijs dankzij humanisten
als Geert Grote en Desiderius Erasmus. Opvallend is de relatief hoge graad van alfabetisering
in de Gouden Eeuw. Goed onderwijs en economische vooruitgang hangen kennelijk nauw
met elkaar samen. Gedurende de achttiende eeuw verliest de Republiek niet alleen
zijn economische voorsprong, maar ook het onderwijs verpaupert en vooral met het
volksonderwijs is het droevig gesteld. De dorpsscholen staan zomers meestal leeg.
De kinderen zijn dan aan het werk op het land. De slecht opgeleide en dito betaalde
schoolmeester heeft vaak meerdere bijbanen om in zijn bestaan te voorzien. Er bestaat
in de achttiende en negentiende eeuw meer analfabetisme dan in de daaraan voorafgaande
Gouden Eeuw. In de tweede helft van de achttiende eeuw ontwikkelt zich een grotere
belangstelling voor het onderwijs en komt er kritiek op de bestaande situatie. Prijsvragen
worden uitgeschreven met de vraag: hoe het onderwijs te verbeteren? Uit de binnengekomen
antwoorden blijkt een verre van malse kritiek op het onderwijs. Een bekroonde inzending
is die van K. v.d. Palm een kostschoolhouder te Delfshaven. Hij richt zijn kort en
zakelijk gehouden reactie onmiddellijk op de schoolmeester. De school is in minachting
geraakt door de onkunde der onderwijzers, deels door de grote toeloop van onbevoegden,
deels doordat de meeste zich niet van jongs af op het beroep hebben toegelegd. Palm
acht het nodig dat de jeugd eerst op 6 à 7 jarige leeftijd naar school gaat
en wil het aantal leerlingen per onderwijzer beperken tot 50 à 60. De materiële
positie van de schoolmeester moet worden verbeterd.
't Nut
In 1784 wordt door de doopsgezinde predikant uit Monnikendam J. Nieuwenhuizen
de Maatschappij tot Nut van het Algemeen opgericht. Het bijzondere van 't
Nut is dat zij niet alleen verhalen afsteekt, maar ook praktische maatregelen neemt
en ondersteunt. Gedurende de gehele negentiende eeuw geeft zij verhandelingen uit
over de zedelijke en lichamelijke opvoeding van de jeugd en worden er goede leerboeken
geschreven. 't Nut draagt zo in belangrijke mate bij in de ontwikkeling van het onderwijs.
De grootste verdienste van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen is het oprichten
van modelscholen. 't Nut begrijpt de kracht die uit gaat van levende voorbeelden.
De Nutsscholen groeien uit tot een begrip. Naast dit alles ijvert 't Nut ook voor
een goede opleiding van de onderwijzer en bevordert zij de oprichting van Kweekscholen,
de huidige Pedagogische Academies.
- onderwijzersgezelschappen
Voor de schoolmeesters zijn de omstandigheden aan het begin van de negentiende
eeuw gunstiger dan voor de werklieden. Zijn de laatste nog niet toe aan belangenverenigingen,
de onderwijzers worden er als het ware door de autoriteiten toe aangezet. De stimulans
betreft ontwikkelingsverenigingen die uitsluitend, althans bij aanvang, verbetering
van de vakbekwaamheid nastreven. De eerste van deze verenigingen, gezelschappen genaamd,
komen tot stand in Amsterdam in resp. 1799 en 1800. Later zullen ze tot één
worden samengevoegd. De gezelschappen komen regelmatig, aan huis bij een onderwijzer,
bijeen om elkaar tot 'voorlichting' te dienen en zo te kunnen voldoen aan de eisen
van de 'verbeterde leerwijze'. Voor bestrijding van de onkosten wordt een kas gevormd
uit kleine maandelijkse bijdragen en uit boeten. Tevens worden er 'rondzendbibliotheken'
opgezet. In het midden van de negentiende eeuw bestaan er meer dan 200 onderwijzersgezelschappen
verspreid over het gehele land. De schoolmeesters leren er samen te werken uit onderling
belang samen en krijgen oog voor de meer algemene belangen. De gezelschappen vormen
door hun innerlijke groei het voorportaal van de latere onderwijsvakverenigingen.
- NOG
In 1838 ziet in Rotterdam de Algemeene Onderwijzers Vereeniging het licht.
Groningen is in 1832 daarin reeds voorgegaan. Het nieuwe van de verenigingen t.o.v.
de gezelschappen is dat zij naast verbetering van het vak ook verbetering van de
positie van de onderwijzer in de maatschappij wensen. De nieuwe onderwijzersvereniging
zal nauwe contacten onderhouden met het Nederlandsch Onderwijs Genootschap
(NOG), zonder zich er ooit bij aan te sluiten. Het initiatief tot oprichting van
het Onderwijzers Genootschap gaat uit van onderwijzers in Den Haag. In 1840 wordt
de Vereeniging van 's-Gravenhaagse Onderwijzers opgericht. Buddingh, een onderwijzer
van een betere bijzondere school wordt de voorzitter. Het is deze Buddingh die ijvert
voor een landelijk genootschap. Hij heeft succes want in 1842 wordt het NOG opgericht
met zestien aangesloten verenigingen. In 1845 telt het genootschap reeds 75 aangesloten
verenigingen met gezamenlijk 1092 leden.
Binnen de onderwijzersstand bestaan vanwege de verschillende schooltypen aanzienlijke
verschillen. De oprichters van het genootschap behoren tot de meer bevoorrechten.
Het zijn allen onderwijzers werkzaam aan bijzondere scholen der tweede klasse. Ze
zijn in vergelijking met andere onderwijzers het meest welgesteld en het minst afhankelijk
van de gemeentelijke overheid of andere instanties. Alleen onderwijzers van tenminste
22 jaar en volledig vakbekwaam kunnen lid worden van het genootschap.
Het NOG boekt succes bij de grondwetsherziening van 1848. Tegen de aanvankelijk voorgestelde
inperking van de overheidsverantwoordelijkheid voor het lagere onderwijs wordt krachtig
geprotesteerd. Adressen en petities zijn niet van de lucht, brochures worden gepubliceerd
samen met 't Nut en het terugtreden van de overheid wordt voorkomen.
De beloning van onderwijzers loopt sterk uiteen. In 1847 ontvangen in Amsterdam de
slechtst betaalde hulponderwijzers É25 per jaar, terwijl schoolhoofden tot É900,-
per jaar betaald krijgen. Op het platteland zijn de salarissen lager en zijn bijbaantjes
om het inkomen aan te vullen noodzakelijk. De pleidooien van het NOG voor een betere
positie van de onderwijzer heeft voor wat betreft het salaris en de pensioenen resultaat.
Er worden bij wet minima vastgesteld. De hulponderwijzer krijgt een minimumsalaris
van É200,- De onderwijzer van 65 jaar en veertig dienstjaren komt voortaan in aanmerking
voor pensioen.
We zijn niet op de hoogte wanneer de NOG een afdeling Wageningen heeft opgericht.
In 1920 is er in ieder geval een afdeling van deze onderwijsvakorganisatie.
- hulponderwijzers
Het NOG is een beroepsvereniging van de welgesteldere onderwijzers. Het kan dan
ook niet uitblijven dat de hulponderwijzers in 1874 een eigen organisatie oprichten.
De behoefte aan een nieuwe organisatie wordt in de hand gewerkt door de onderwijswet
van 1857. Vanwege deze wet groeit het aantal schoolmeesters flink.
In 1872 ontstaat in Amsterdam de Openbare Hulponderwijzers Vereeniging (OHV)
die zich materiële verbetering van de positie van de hulponderwijzer tot doel
stelt. Het is de OHV die de stoot geeft tot een landelijke vereniging van hulponderwijzers.
Bij oprichting telt de Nederlandsche Openbare Hulponderwijzers Vereeniging
(NOHV) vier afdelingen (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Dordrecht) met gezamenlijk
247 leden. In de onderwijswet van 1878 wordt de benaming van 'hulponderwijzer' vervangen
door 'onderwijzer' en 'hoofdonderwijzer'. De NOHV wijzigt nu haar naam in Nederlandsche
Openbare Onderwijzers en Hoofdonderwijzers Vereeniging (NOOHOV). Een brede aanhang
kent de vereniging niet. De afdelingen in Den Haag en Dordrecht worden respectievelijk
in 1878 en1881 opgeheven. Korte tijd bestaan er nog enkele afdelingen in het noorden
van het land, maar feitelijk bestaat de vereniging slechts uit de afdelingen Rotterdam
en Amsterdam. Er kan dus nauwelijks van een landelijke organisatie worden gesproken.
In 1888 komt er een kentering in de gang van zaken. Er ontstaat een druk vanuit de
leden om meer aan belangenbehartiging te doen. De nadruk komt meer te liggen op een
landelijke verbondenheid. Het blad van de Amsterdamse afdeling De Bode wordt gepromoveerd
tot landelijk orgaan van de vereniging. De nieuwe aanpak werpt direct z'n vruchten
af. Van twee afdelingen groeit de organisatie naar zeven afdelingen en het ledental
verdubbelt. In de jaren daarna zet de groei door. De algemene vergadering van 1889
besluit de naam te wijzigen in Bond van Nederlandsche Onderwijzers (BNO).
Zijn tot dan toe de verenigingen van onderwijzers vooral 'beroepsorganisaties', van
nu af aan is er nadrukkelijk sprake van 'vakorganisaties'. Tot aan vandaag de dag
heeft de huidige Aob, meer dan dat bij andere bonden het geval is, de mengeling van
beroepsorganisatie en vakorganisatie behouden. De BNO rekent naast de belangenbehartiging
ook de bevordering van het onderwijs tot zijn taak. Ze neemt bij de behandeling van
de nieuwe onderwijswet verdergaande standpunten in dan het NOG, daar waar het gaat
over de positie van het openbaar onderwijs en de klassengrootte.
De BNO kent in 1920 een afdeling in Wageningen met 16 leden.
- Leerplichtwet van 1900
In de Tweede Kamer vindt op 30 maart 1900 een belangrijke stemming plaats. De
liberale minister Goeman Borgesius heeft een voorstel tot wet ingediend, waarmee
leerplicht voor kinderen van zeven tot dertien jaar wordt ingevoerd. Er is veel verzet
tegen het wetsvoorstel vooral uit confessionele hoek, die menen dat het ouderlijk
gezag door de leerplicht wordt ondermijnd en nuttige bijverdiensten verloren gaan.
Daarenboven speelt dat door gebrek aan christelijke en katholieke scholen veel kinderen
noodgedwongen naar de openbare school moeten. Op de dag van de stemming zijn 99 van
de 100 kamerleden aanwezig. Alleen baron Schimmelpenninck van de Oye, tegenstander
van de invoering van leerplicht, ontbreekt. Hij is van zijn paard gevallen, en ligt
in bed. De uitslag van de stemming is 50 voor en 49 tegen. De wet haalt het met de
kleinst mogelijke meerderheid. Zou de baron niet van zijn paard zijn gevallen dan
was er sprake geweest van staken der stemmen en zou de wet niet zijn aanvaard. Binnen
de kortste keren circuleert door het land het volgende volksrijmpje:
Baron Schimmelpenninck van de
Oye en zijn biek
Doen beide aan politiek;
De baron zij: 'Tegen, zonder manco',
De schimmel zij: 'Wij stemmen blanco'.
Zo werd Borgesius' Leerplichtwet
Door paarde-politiek gered.
De Maasbode, een katholieke krant,
is woedend: "Een wet enkel geboren uit de zucht om in den wedloop der volkeren
toch vooral niet achter te staan in kennis en ontwikkeling. Een voor christenen hatelijke
dwangwet." Behalve de confessionelen stemmen de SDAP'ers, onder wie Troelstra,
tegen de Leerplichtwet, omdat de wet de armen opzadelt met zware financiële
lasten.
De leerplichtwet doorbreekt niet het verschijnsel van 'standenscholen'. In de grote
steden hebben de volksscholen niet eens een naam; een nummer is voldoende. Zo geeft
de bekende onderwijzer en schrijver Theo Thijssen tussen 1900 en 1920 les op 'School
104' in Amsterdam.
- onderwijzeressen
In het openbaar onderwijs komen bevoegde onderwijzeressen pas sinds 1860 voor.
Voor hun opleiding zijn ze aangewezen op lessen via het particulier georganiseerde
normaalschoolsysteem, cursussen die op initiatief van hoofden van scholen worden
georganiseerd. Ook veel mannelijke kwekelingen komen zo aan hun opleiding, maar voor
hen staat ook de kweekschool open. In 1896 komt het tot oprichting van een kweekschool
voor meisjes. De BNO streeft naar meer kweekscholen en het afschaffen van de normaallessen.
Eerst op langere termijn zal de BNO daarin zijn zin krijgen.
De onderwijzeressen verdienen aanvankelijk hetzelfde salaris als hun mannelijke collega's.
Als echter de overheid in 1878 de druk voelt voor salarisverbetering gaat zij ertoe
over meer vrouwen in het onderwijs aan te stellen. De verwachting is dat van die
kant, al blij dat ze werk hebben, weinig verzet zal komen. Het leidt tot de introductie
van loonsverschillen, terwijl het ook nog de ontwikkeling van het salaris van de
onderwijzers afremt. In de bond zijn de vrouwen wel gelijkberechtigd, maar toch niet
echt gelijkwaardig. Onderwijzeressen krijgen uitsluitend de lagere klassen onder
hun hoede, iets waartegen het BNO niet optreedt. In 1901 telt de bond bijna 6.000
leden waaronder 1.400 vrouwen. Ruim dertig jaar later zal het aandeel vrouwen uitgegroeid
zijn tot bijna 50%. In de crisisjaren worden gehuwde onderwijzeressen ontslagen zonder
enige vergoeding. De BNO is de enige die protesteert, de christenlijken juichen en
de katholieken kapittelen de minister vanwege de 'talloze dispensaties' die hij verleent.
- een waaier aan organisaties van ambtenaren
Zodra er in Nederland sprake is van een centraal bestuur groeit de behoefte aan
beheren en beheersen. Met het groeien van overheidstaken groeit ook de behoefte aan
personeel om deze taken uit te voeren. Het corps ambtenaren kent een steeds grotere
verscheiden-heid aan functies. Van straatmaker tot generaal en van referendaris tot
vuilophaler. Ambtenaren zijn werknemers in dienst van de overheid en dat brengt een
werkgevers-werk-nemers relatie met zich mee die lang niet altijd goed uitpakt voor
de werknemers. Het is de verscheidenheid aan functies waardoor een kleurrijke geschiedenis
ontstaat van ambtenaren en hun bonden. Standsverschillen spelen daarbij een grote
rol.
De aanwezigheid van veel overheidspersoneel is voor de Wageningse vak- en politieke
beweging van een niet te onderschatten invloed geweest. De toch minder afhankelijke
ambtenaren en beambten in overheidsdienst beschikken vaak over een grotere mate van
ontwikkeling.
De eerste vorm van krachtenbundeling onder het over-heidspersoneel bestaat uit organisaties
te onderscheiden naar beroep, rang, dienst of bedrijf. Door de uitbreiding van de
overheidstaken - PTT, belastingen, pu-blieke werken, gas- en elektriciteitsvoorziening,
tram, reiniging - ontstaan rond 1900 vele bondjes van werk-lie-den in over-heidsdienst
en verenigingen van allerlei cate-gorieën ambtenaren. Deze organisaties zijn
beperkt tot stad of streek of uitsluitend naar beroep georganiseerd. Door aaneensluiting
ontstaan in de eerste twee decennia van de twintigste eeuw landelijke organisaties.
Omstreeks 1920 hebben zich de vier te onderschei-den richtingen in de arbeidersbeweging
zich ook afgetekend in de organisatie van het overheidspersoneel: de moderne of sociaal-democratische,
de neutrale, de rooms-katholieke en de protestants-christelijke. Ambtenaren zijn
van ouds-her sterk vertegenwoordigd in 'neutrale' categorale bon-den. Binnen de vier
richtingen vormen zich centrales van overheidspersoneel die meerdere bonden omvatten.
- weduwe en wezen
De vroegste organisatie onder ambtenaren vinden we in de pensioenbeweging. Al
in 1802 wordt door het toenmalige staatsbewind het beginsel van pensioenvoorziening
erkend. In 1805 wordt het eerste pensi-oenfonds voor de ambtenaren van de indirecte
belastingen (accijnzen) ingesteld. Vier jaar later worden de ambte-naren verplicht
zelf een deel van de pensioenkosten te dragen en worden kortingen op het loon toegepast.
Na de 'Franse tijd' in 1814 geeft de Nederlandse Staat haar ambte-naren recht op
een premievrij pensioen van 2/3 van het salaris. Er wordt 68 miljoen in het pensioenfonds
gestort. Echter tussen 1830 en 1840 verdwijnt dit geld zonder, besteed te zijn aan
pensioenen. Door de jaren heen wordt de pensioenregeling nogal eens veranderd. Opval-lend
is dat al in 1815 de pensioengerechtigde leeftijd op 60-jaar of bij 40-dienstjaren
wordt gesteld. Bij Koninklijk Besluit wordt in 1836 het weduwen- en wezen pensioen
ingetrokken. Bij de behandeling van de pensi-oenwet in 1846 wordt door een deel van
volksvertegen-woordiging -de plicht van de staat om zijn ambtenaren te pensioneren
ontkend. Een ander deel noemt pensioen zelfs het najagen van socialistische utopieën.
De wet kent nog wel een recht op pensioen toe aan weduwe- en we-zen, maar tot uitkeren
zal het niet komen. Door de schrijnende armoedeval na 1836 van de weduwen- en wezen
van ambte-naren komt er, zij het langzaam, een beweging opgang. Op 13 januari 1854
komen ambtenaren uit de provincie Friesland bijeen in Leeuwarden. Besloten wordt
een adres te zenden aan de koning met het verzoek aan weduwen- en wezen van ambte-naren
wederom een pensi-oen toe te kennen. Een jaar later wordt er ook in Zwolle een adresbeweging
op touw gezet. Het adres uit Zwolle wordt door meer dan duizend ambtenaren ondertekend.
Noch op het adres van 1854, noch op dat van 1855 wordt antwoord gegeven. Men houdt
de ambtenaren aan het lijntje en als in 1863, wederom uit Zwolle, een adres wordt
gestuurd, wordt ook daar geen antwoord opgege-ven. Als enkele hoofdambtenaren in
1872 de koning en de Tweede Kamer er op wijzen dat er nog nimmer geant-woord is op
de ingediende adressen krijgen zij eindelijk antwoord. De korting op de lonen voor
het pensioen wordt afgeschaft en daarmee kunnen de ambtenaren het doen. -
- het Pensioenverbond
Zijn het bij de bovengenoemde 'adresbeweging' voornamelijk de hogere ambtenaren
die een rol spelen. Vanaf 1863 komen de lagere ambtenaren meer op de voorgrond. Aan
het hoofd van deze ambtenaren staat J. Griek. Als tijdens het overhan-digen van een
adres aan Betz, de minister van Binnenland-se Zaken, deze meedeelt dat een wet in
voorbereiding is tot afschaffing van de korting op het loon antwoordt Griek: "Excellentie,
dit is de grootste ondienst, die U.E. den burgerlijke ambtenaar kunt bewijzen, want
het maakt een inbreuk op de bate van het fonds, en onze weduwen en weezen zijn er
niet mede gebaat; niet één ambtenaar zal U.E. daarvoor dankbaar zijn."
In 1868, 1869 en 1870 wordt opnieuw geadresseerd. Het gebrek aan resultaat doet het
inzicht groeien dat met een enkel verzoek, hoe redelijk ook, geen concessie van de
regering verwacht mag worden. Dit inzicht leidt tot het oprichten van het Pensioenverbond.
Voorafgaand aan deze oprichting zijn er op diverse plaatsen commissies opgericht
ter verkrijging van een weduwen- en wezenpensioen. Vierendertig vertegenwoordigers
uit tien plaatselijke commissies komen op 28 augustus 1876 bijeen en richten het
pensioenverbond op. Door een rekwest in te dienen bij de regering slagen ze er in
een Staats-commissie ingesteld te krijgen. De commissie doet er twee jaar over om
een rapport uit te brengen met een allerbedroevendste conclusie: het wordt te duur;
een ambtenaar zal twintig procent van zijn salaris moeten offeren om het weduwen-
en wezenpensioen te bekostigen. Het Pensioenverbond dient een nota in met bezwaren
tegen het rapport van de staatscommissie. De druk die hiermee wordt uitgeoefend doet
de minister be-sluiten opnieuw een staatscommissie in te stellen. Deze commissie
doet ook twee jaar over het opstellen van een rapport, maar de conclusie in dit rapport
is beduidend beter: met de middelen van het pensioenfonds kan een weduwen- en wezenfonds
worden gesticht. De werkelijke uitvoering zal nog enkele jaren kosten, maar de verwezenlijking
van haar doelstelling doet het Pensioenverbond in 1890 besluiten om zichzelf op te
heffen.
- Bond van Nederlandsche Gemeentewerklie-den
De Leeuwarder Vereeniging van Gemeentewerklieden 'Ons Belang' wordt op
25 september 1899 opgericht op initiatief van Nicolaas van Hinte. Voorafgaand aan
de oprichting verschijnen er in het blad 'Arm Friesland' een twee-tal artikelen over
de arbeidsomstandigheden van de gemeentewerklieden. Op een avondbijeenkomst, belegd
om de grieven van de gemeentewerklieden te bespreken, voert Ds. W.G. Melchers, een
vrijzinnig predikant, het woord. Die avond geven 51 aanwezigen te kennen tot de vereniging
te willen toetreden. In 1901 zal het Ons belang zijn die de stoot geeft tot de oprich-ting
van de Bond van Nederland-sche Gemeentewerklieden (BNG). De BNG is één
van de vijftien organisaties, die in 1905 het NVV oprichten. Het is de belangrijkste
voorloper van de Algemene Bond van Ambte-naren (ABVA) zowel in ledental als
naar activiteiten gerekend. Met 2.650 leden in 1906 is ze naar grootte de tweede
bond binnen het NVV. De Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond (ANDB) gaat
haar met 7.700 leden voor.
Van Hinte gebruikt de verkiezingscampagne van de SDAP in 1901 als platform om in
contact te komen met leiders van gemeentewerkliedenbonden in andere plaat-sen. Die
contacten leiden er toe dat op 27 mei te Utrecht een congres plaats vindt, waar de
Bond van Nederland-sche Gemeentewerklieden wordt opgericht. Bij oprichting telt de
nieuwe organisatie tien afdelingen met gezamen-lijk 1.400 leden. Van Hinte wordt
in 1905 de eerste be-zoldigde bestuurder met een jaarloon van duizend gulden. Een
loon dat overeenkomt met het loon van een werkman in overheidsdienst.
In een brochure geeft de bond een verklaring voor haar bestaansrecht:- "De gemeente-werk-lieden
nemen onder de arbeiders een eigenaardige plaats in. Bij hen treedt minder op de
voorgrond het vakman zijn en veel meer het in dienst zijn van een bestuurs-lichaam.
Deze eigenaardigheid hebben ze gemeen met de rijkswerklieden, met de marinematrozen
en marinesto-kers. (...) We zien, dat de gemeentewerklieden niet de verbetering in
hun positie trachten te verkrijgen door zich als timmerman, smid, fitter, sjouwerman
aan te sluiten bij de respectievelijke vakverenigingen. Hun verhouding tegenover
de gemeente weegt zwaarder dan hun werk-man zijn, en zemen dan ook een afzonderlijke
vakvereeni-ging." Het programma van de bond bevat dan ook punten die rekening
houden met die bijzondere situatie, zoals alle ge-meentewerken uitvoeren in eigen
beheer en het instellen van scheidsgerechten voor het beslechten van geschillen inzake
de rechtspositie. De bond maakt zich sterk voor algemeen kiesrecht. Voor organisaties
van werk-nemers in over-heidsdienst heeft het kiesrecht een dubbele betekenis. In
algemene zin vanwege de (politie-ke) emancipatie van de werknemers, maar ook de hoop
dat er na de invoering van het algemeen kiesrecht er een meer werknemers gezinde
werkgever wordt gekozen.
Nadat ook groepen werklieden in dienst van de polders en de provincies zich aansluiten
wijzigt in 1914 de naam van de bond in Nederlandsche Bond van Werklieden in Open-bare
Dienst en Bedrijven. Deze bond kent een afdeling in Wageningen die in 1920 25
leden telt. Door een fusie in 1920 met de Algemeene Nederlandsche Rijkswerkliedenbond
- opgericht op 1 januari 1900 - wijzigt de naam zich in: Nederlandse Bond van
Werklieden in Overheidsdienst. Ook de Rijkswerklieden zijn een afdeling in Wageningen
rijk met in 1920 35 leden. De nieuwe bond heeft ruim 15.000 leden. De afdeling Wageningen
telt circa 60 leden. In 1924 volgt nog-maals een naamswijziging. Werklieden wordt
vervangen door: personeel.
|