|
- de grafische industrie in
Wageningen
Onbedoeld komt H. Veenman, een groothandelaar in sigaren, in 1903 in het bezit
van een drukkerijtje aan de kloostersteeg. Het bedrijf, met zo'n acht werknemers,
gaat zich toeleggen op het vervaardigen van boeken in loondruk. Het bedrijf groeit
en in 1922 treden de twee zoons van Veenman toe als firmanten. Vestiging aan de Riemsdijkstraat
is dan al een feit. De specialisatie in het produceren van boeken maakt het bedrijf
minder gevoelig voor de economische crisis in de jaren dertig van de twintigste eeuw.
De Duitse inval in mei 1940 en het daarmee gepaard gaande oorlogsgeweld verwoest
de drukkerij aan de Riemsdijkstraat volledig. De rampspoed wordt echter te baat genomen
door het bouwen van een nieuw bedrijfspand aan de huidige Costerweg, voorheen de
Mennonietenweg.
Na de Tweede Wereldoorlog groeit Veenman uit tot een modern bedrijf. In 1950 wordt
uitgebreid door de aankoop van het naastgelegen gebouw. In technische zin loopt het
bedrijf voorop. In 1959 gaat ze als eerste in Nederland over op het fotozetten waardoor
het lood overbodig zal worden. De offsettechniek wordt ook toegepast voor het drukken
van boeken. Als een van de eersten in Nederland krijgt drukkerij Veenman, die inmiddels
ook commercieel kleurendrukwerk aan het assortiment heeft toegevoegd, een kwaliteitscertificaat
uitgereikt.1
In 1910 neemt J. Zomer van ene Sanders de drukkerij Vada over. Vada, de naam wordt
voor het eerst in 1902 gebruikt, is een kleine boekdrukkerij anex boekhandel die
al sinds 1860 gevestigd is aan de Parkstraat, de huidige Dr. Niemeijerstraat. In
1865 wordt het bedrijf omgedoopt tot 'Boek en Muziekdrukkerij' Vanaf 1898 wordt hier
het Wageningsch Nieuwsblad gedrukt. In 1912 telt het bedrijf 12 werknemers.2
In 1917 laat Zomer een nieuw bedrijfspand bouwen aan het Delpad, dat in de loop van
de jaren nog menigmaal zal worden uitgebreid. In 1918 komt de boekhandelaar K.J.
Zomer, broer van J. Zomer, eveneens in het bedrijf. Een jaar later treedt in het
dan al sterk uitgegroeide bedrijf C.A. Keuning toe tot de vennootschap waarna het
bedrijf voluit N.V. Gebr. Zomer & Keuning's Drukkerij Vada, Binderij en Uitgeversmaatschappij
gaat heten. Juridisch is het één bedrijf, maar drukkerij en uitgeverij
richten zich elk op hun eigen marktsegment. De uitgeverij bedient het protestants-christelijke
volksdeel met bladen als De Spiegel, Moeder, Op de Uitkijk,
Prinses en de Omroepgids van de NCRV. In het boekenfonds zijn onder
meer de Zetkabijbels te vinden. Vada richt zich naast de eigen uitgaven op het ontwerpen
en drukken van reclamedrukwerk en weet zich als 'kleurendrukker' een toppositie in
de markt te verwerven.
In 1937 betrekt Vada, met circa 200 werknemers, een nieuw en dan ultra modern gebouw
aan de huidige L.J. Costerweg. Het gebouw wordt in de Tweede Wereldoorlog tot tweemaal
toe verwoest. In 1947 kan de productie weer geheel in eigen huis plaatsvinden. Daarna
volgt een periode van groei. De technische mogelijkheden worden uitgebreid en het
personeel neemt in aantal toe. In 1948 komt naast de boekdruk ook het diepdrukprocédé
in gebruik. Vanaf 1951 worden de week en maandbladen op rotatiepersen gedrukt. In
1969 wordt Vada opgenomen in het Kluwerconcern.3
- vier maal is typo's recht
Op 8 november 1912 wordt de afdeling Wageningen van de Algemeene Nederlandsche
Typografenbond voor de vierde maal, maar nu dan ook definitief, opgericht.4
Voorzitter Van Beek blikt in het 39e jaarverslag over 1951 terug op de oprichting.
De Wageningse typo's zijn moeilijk in beweging te krijgen. Dat het in 1912 toch lukte
heeft, aldus Van Beek, de volgende verklaring. In 1911 zijn er sterke prijsstijgingen.
Het loon van een zetter of drukker is slechts f 8 per week. De duurte, en
daarmee het gebrek aan koopkracht, leidt tot onvrede. Een en ander valt samen met
de komst van dhr. Zomer, een jonge energieke drukkerspatroon, die de Vada in eigendom
heeft gekregen. Hij voert nieuwe werkmethodes in en investeert in nieuwe machines.
Zo is bijvoorbeeld de eerste zetmachine in Wageningen bij Vada te vinden. Het is
nodig om van elders nieuwe werkkrachten aan te trekken. Hoewel G. van Kooten, een
Wageningse typograaf, er al langer voor pleit om de vakorganisatie ook in Wageningen
gestalte te geven, komt met de nieuwelingen de zaak pas echt op gang. Van de nieuwkomers
moet in het bijzonder J. Meier worden genoemd. Meier, een kleine man met kromme benen,
altoos gesierd met bolhoed en een geweldige knevel treed zeer direct en indringend
op. Hij heeft de 'aangename' gewoonte mensen op straat aan te houden als hij vermoedt
dat het een werknemer op een drukkerij is. Met een dreigende opgeheven vinger stevent
hij op de persoon af met de onvermijdelijke vraag: "Ben jij al georganiseerd?"
En wee je gebeente wanneer je nee zei. Je komt dan niet meer van Meier af voordatÖ
en zo lukt het in 1912 een afdeling op poten te zetten.5 Gijs van Kooten
is de (mede) oprichter van de afdeling. Vanaf de oprichting tot in 1945 is hij onafgebroken
de voorzitter van de ANTB te Wageningen. Zijn laatste optreden als zodanig is in
augustus 1945 bij de heroprichting van de afdeling. Naast zijn vakbondsoptreden is
hij ook actief in de SDAP.6
- het contract verworpen
Op oudejaarsdag 1922 kent de afdeling Wageningen van de Algemeene Nederlandsche
Typografenbond (ANTB) een reuze opkomst op haar buitengewone ledenvergadering. Van
de veertig leden die de afdeling rijk is zijn er dertig op de ledenvergadering aanwezig.
De afdeling heeft een maand daarvoor het tienjarig bestaan gevierd met een feestavond.
De buitengewone ledenvergadering op 31 december verkeert echter allerminst in feeststemming.
Wat ter bespreking voor ligt is een nieuwe cao voor 1923 en die heeft niet veel goeds
in petto voor de werknemers in de grafische industrie. De problemen met de nieuwe
cao zijn niet plotseling komen aanwaaien. Eind 1921 worden door de patroons pogingen
gedaan om in de bedrijven de gezellen te winnen voor het aanvaarden van een tussentijdse
loonsverlaging. Begin 1922 doen de werkgevers aan de grafische bonden het voorstel
om de arbeidstijden van 45 uur weer te brengen op 48 uur en tegelijkertijd de lonen
met 10% te verlagen. Dat deze nogal drastische verslechteringen op verzet stuiten
zal niet echt verbazen. Ook de Wageningse typografen zijn niet te spreken over de
aanslag op hun arbeidsvoorwaarden. Op 17 februari 1922 wordt dan ook ongewoon fel
gediscussieerd op de anders zo gezapige ledenvergaderingen. De gevoelens worden door
middel van een motie ter kennis gebracht aan het hoofdbestuur:
"De afdeeling Wageningen
van den Algem. Ned. Typ. Bond in zeer druk bezochte h.h. vergadering bijeen op Vrijdag
17 februari; kennis genomen hebbende van de door het Hoofdbestuur der Boekdrukkerijbonden
voorgestelde verslechteringen van arbeidsvoorwaarden, en afwijking van het bestaande
collectieve arbeidscontract; verklaart dat den verslechtering absoluut ongemotiveerd
en onaannemelijk zijn; wenschen in geen geval mede te werken om de gevolgen van de
minder gunstige bedrijfstoestand op de werknemers af te wentelen, mede omdat de patroonsorganisatie
steeds in gebreke is gebleven voor onze werkloozen ook maar eenige risico te dragen;
beschouwt deze voorstellen als een brute uiting van reactie en besluit dezen aanval
op het levenspeil van de arbeiders in de grafische vakken te verwerpen en geen medewerking
te verleenen aan een arbeidsovereenkomst met slechtere arbeidsvoorwaarden als in
de thans bestaande."
Deze en soortgelijke moties van
andere afdelingen zorgen ervoor dat de arbeidsvoorwaarden voorlopig onaangetast blijven,
maar de economische omstandigheden in de grafische bedrijfstak blijven zienderogen
achteruit hollen. Het behoud van de arbeidsvoorwaarden is dan ook uitstel en geen
afstel.
De onderhandelingen voor een nieuwe cao in 1923 staan al onder druk voordat partijen
elkaar ook maar voor de eerste maal hebben gesproken. Niet alleen arbeidstijdverlenging
en loonsverlaging is aan de orde, maar de werkgevers wensen nu ook de vakantietoeslag
in te trekken. De scherpste kantjes kunnen in de onderhandelingen nog wel worden
weggeslepen, maar die nemen een loonsverlaging van 10 cent per uur en een werkweekverlenging
met drie uur niet weg. F. van der Wal, voorzitter van de ANTB, adviseert desondanks
de cao te aanvaarden. Hij meent daar ook goede redenen voor te hebben. De werkloosheid
onder de grafici is al hoog opgelopen en vele van hen zijn al aan het einde van hun
uitkeringstermijn. Hij vreest dat bij een staking velen van hen als onderkruiper
aan het werk zullen gaan, te meer omdat de confessionele organisaties wel de cao
aanvaarden en een staking niet zullen steunen.7 De leden verwerpen echter
middels een referendum het ontwerpcontract. En ook de leden van de ANTB in Wageningen
wijzen op 31 december 1922 de cao af. Op 1 januari 1923 vangt een cao-loos tijdperk
aan. Op nieuwjaarsdag zien we de mannenbroeders van de grafische bond in Wageningen
wederom bijeen nu met de vraag waar het mogelijk is het werk te stoppen. Het hoofdbestuur
heeft opgeroepen tot werkstaking, maar met het beding vooral eerst goed in te schatten
of er kans van slagen is.
Afdelingsvoorzitter G. van Kooten komt op 1 januari zwaar onder vuur te liggen. De
leden zijn van mening dat ze niet goed kunnen oordelen over de ontstane situatie
omdat de voorzitter niet op tijd aan hen heeft gerapporteerd uit de bondsraadvergadering.
Het lijkt een beetje een doekje voor het bloeden, aangezien de vergadering tot de
conclusie komt dat bij drukkerij Vada de kans om met succes het werk neer te leggen
op nul moet worden geschat. En bij andere bedrijven binnen de afdeling is het niet
beter.8 De staking die op 29 plaatsen uitbreekt wordt, door de twijfelachtige
oproep, maar matig opgevolgd. Ook in Wageningen zou een korte onderbreking van het
werk hebben plaatsgevonden,9 maar daar wordt in de notulenboeken van de
afdeling geen enkel gewag van gemaakt. Wel wordt in de notulen, met een zekere tevredenheid,
gemeld dat er in Wageningen, door niet in te gaan op de stakingsoproep, gelukkig
ook geen slachtoffers zijn gevallen, zoals elders wel het geval is. Het heeft er
veel van weg dat de leden er behoefte aan hebben zichzelf te vergoelijken, na eerst
het cao-resultaat afgewezen te hebben, om nu vast te stellen hoe verstandig het wel
is om niet in staking te gaan. Het spreekt verder vanzelf dat de arbeidstijdverlenging
en de loonsverlaging gewoon doorgang vinden.
|