|
- inlandse tabak
Wie van Amerongen richting Arnhem rijdt kan hier en daar nog een grote zwart
geteerde houten tabaksschuur zien staan. Twee eeuwen lang is tabaksteelt voor kleine
Gelderse boeren een bron van bestaan. De noordelijke Rijnoever, van Amerongen tot
Wageningen, is één van de centra voor de teelt van 'inlandse' tabak.
In de 17e eeuw vindt de tabaksplant van Zuid-Amerika, via Spanje, haar weg naar de
Veluwe, de Betuwe en de Achterhoek. De in Nederland aanwezige tuinbouwkennis wordt
aangewend voor het telen van tabak. De belangrijkste verbetering is het gebruik van
broeibakken om het plantgoed op te kweken. Andere verbeteringen zijn het aanbrengen
van 'windschermen' - hagen of bonenheggen rond de tabakspercelen - en het bouwen
van speciale houten droogschuren met verstelbare ventilatieluiken. In de 18e eeuw
geldt de zogenaamde 'Hollandse methode' in de tabaksteelt als de beste. Teelt en
verwerking van tabak vergt het hele jaar door veel arbeid. Boerengezinnen inclusief
kinderen en gebrekkigen hebben daardoor een groot deel van het jaar werk. De eindverwerking
vindt voornamelijk in Amsterdam plaats. Inlandse tabak wordt, al dan niet vermengd
met import tabak, verwerkt tot kerf-, snuif- en pruimtabak. Het hoogtepunt van de
teelt van inlandse tabak ligt in het begin van de 18e eeuw. In Wageningen is 40%
van het bouwland - 250 hectare - rond de stad met tabak beplant terwijl één
op de vijf gezinnen direct afhankelijk is van de tabaksteelt.1
In de zeventiende en begin achttiende eeuw wordt de inlandse tabak gebruikt als pijptabak.
Na 1725 komt het snuiven van zeer fijngemalen tabak in de mode. Later wordt Nederlandse
tabak ook verkocht als pruimtabak en nadat in de negentiende eeuw het roken van sigaren
populair wordt, gaat veel tabak naar de sigarenfabrieken om verwerkt te worden in
de goedkopere sigaren. Één soort tabak wordt gekweekt om als omblad
voor sigaren gebruikt te worden.2
Door toenemende concurrentie van tabak uit Indië en de Verenigde Staten neemt
de omvang van de Nederlandse tabaksteelt gedurende de 19e eeuw steeds verder af.
Rond 1850 wordt nog maar 85 hectare tabak verbouwd. Nog voor de aanvang van de 20ste
eeuw is het zo goed als afgelopen met de Wageningse tabakscultuur.3
- de zwijnderij
Tabakstrippen is het verwijderen van de hoofdnerf uit het tabaksblad. Het is
een zo slecht betaalde vorm van 'huisindustrie', dat het in de volksmond 'de zwijnderij'
wordt genoemd. Het tabaksstrippen wordt vrijwel uitsluitend uitgevoerd in Druten
met omliggende dorpen, Harderwijk en Wageningen. In deze gemeenten heerst onder de
werknemers een zo groot tekort aan welvaart, dat er steeds voldoende aanbod is van
werkkrachten om tegen een lag loon thuis stripwerk te verrichten. In Harderwijk bestaat
de bevolking voor een belangrijk deel uit vissersgezinnen met een wisselvallig inkomen.
Druten en Wageningen zijn belangrijke productieplaatsen voor baksteen. Een groot
deel van de bevolking verdient op de steenfabrieken hun brood, althans in de zomer.
Doch in het winterhalfjaar en/of bij ongunstig weer of hoge waterstand staan de verdienste
stil.4 Vrijwel de enige manier om in die omstandigheden enig inkomen te
verwerven is tabakstrippen.
De in Wageningen gevestigde tabakshandelaren zijn de opdrachtgevers. Het strippen
gebeurt thuis in de eenkamerwoning, die slaapkamer, woonkamer en werkruimte tegelijk
is. Het hele gezin is bij de huisarbeid ingeschakeld. Kinderen moeten na schooltijd
en 's avonds meehelpen. Als ze onder het werk in slaap vallen worden ze met een natte
doek of een hand met koud water in het gezicht hard tot de werkelijkheid teruggeroepen.5
Op de steenfabrieken wordt voornamelijk seizoensarbeid verricht. In de herfst is
het grootste deel van de steenfabriekarbeiders werkloos. Alleen tijdens het voorjaar
en zomer, de zogenaamde campagne, wordt het proces van steenfabricage volledig uitgevoerd.
In de herfst wordt er alleen klei gegraven in de uiterwaarden tot dat die onder water
komen te staan. Gedurende de winter wordt de voorraad rauwe steen wel gebakken, maar
daar zijn niet veel werklieden bij nodig. Uit de loonstatistiek over 1904 blijkt
dat in de twintig weken van de campagne de fabrieken gemiddeld vier dagen per week
werken. De hele campagne duurt derhalve 80 dagen. Vrouwen en jeugdige personen werken
uitsluitend gedurende de campagne. De helft van de volwassen mannelijke werknemers
werkt gedurende 225 of meer dagen per jaar. De overige werken gedurende 150 tot 225
dagen per jaar (16%) of zelfs minder dan 150 dagen (33%).6 'IJs en weder
dienende' is dus maar al te waar als het gaat om werk van de steenfabriekarbeiders.
En wie niet werkt zal ook niet eten:
"De winter houdt lang aan
en de werkloosheid wordt steeds grooter, schraalhans wordt in veel gezinnen meer
en meer keukenmeester en bittere armoede wordt geleden. Groot is het aantal armen
dat aanklopt bij 't Comité van Weldadigheid, dat tracht te helpen waar het
kan.7
Er zijn 's winters twee manieren
om toch nog iets te verdienen. Zestig tot tachtig man kan terecht bij het Comité
voor Werkverschaffing of tabaksbladeren strippen. Tabakstrippen lijkt een uitkomst
als je geen werk en dus ook geen inkomen hebt. Maar tegenover de zeer schrale verdiensten
staat een hoop narigheid.
De Wageningse tabakshandelaren Koch en de De Voogt zijn exporteurs van gestripte
Indische en Amerikaanse tabak naar Groot-Brittannië. Het invoerrecht bedraagt
vier gulden de kilo en het loont dus zeer om de stelen en de nerven, die zo'n 35%
van het gewicht uitmaken, er uit te halen. De beide handelaren zijn tot circa 1890
opkopers van inlandse tabak en nadat deze vanwege concurrentie is beëindigd
stappen ze over op de handel in buitenlandse tabak. De overweging om dat vanuit Wageningen
te blijven doen, toch geen voor de hand liggende plek voor de export op Engeland,
heeft alles te maken met het loon. In de centra van de tabakshandel - Amsterdam en
Rotterdam - zijn de lonen aanzienlijk hoger. In Wageningen is er in ieder geval 's
winters ruim voldoende aanbod van de allergoedkoopste arbeidskrachten: de werkloze
fabrieksarbeider en zijn gezin. Met een kruiwagen wordt bij de tabakshandelaren vijftig
of honderd kilo tabak opgehaald en mee naar huis genomen. De tabak wordt voor het
strippen bevochtigd. Droge tabak scheurt gemakkelijk in. Het strippen is simpel werk
waarvoor alleen enige handigheid is vereist. Het tabaksblad wordt aan de punt vastgepakt
en daarna tegelijkertijd rond de hand gewonden en de steel er uitgetrokken. De losse
bladhelften worden op beschadiging gesorteerd. Het strippen van een pond tabak levert
2 tot 2,5 cent op en een halve cent meer als de bladeren onbeschadigd zijn. Een werkdag
van tien uur, waarin evenzoveel ponden tabak kan worden gestript, levert een inkomen
van 25 cent op. Ter vergelijking: een boerenknecht en een kleigraver op de steenfabriek
hebben een dagloon van 80 cent en zelfs in de werkverschaffing wordt voor een zevenurige
werkdag nog 60 cent betaald. De werkloze werknemer wordt weinig keus gelaten en moet
het schamele loon wel aanvaarden want er is belangstelling genoeg. Tot aan de Eerste
Wereldoorlog komt er geen verandering in het zeer lage loon. Onder degene die dit
werk wel moeten aanvaarden is de armoede groot. Honger en kou zijn voor hen 'normale'
verschijnselen.8
- kinderarbeid
Het geringe daggeld wat met tabakstrippen te verdienen valt noodzaakt het hele
gezin, kinderen incluis, om mee te helpen. In de zomer wordt door zo 'n zeventig
gezinnen gestript. In de winter, wanneer het werk op de steenfabrieken is stil komen
te liggen, wordt er door zo 'n 150 tot 200 gezinnen een schamele cent met tabaksstrippen
bijverdiend. Kinderen worden 's morgens vroeg uit hun bed gehaald om bij te dragen
in de eentonige arbeid. Na schooltijd is er geen tijd om te spelen. Tot 's avonds
laat moet er mee worden gewerkt. Alleen met veel handjes kan er een verdiensten van
enige betekenis worden gerealiseerd.
De woning bestaat in de regel uit niet meer dan één vertrek waarin
het hele gezin, vaak met zes of meer kinderen, de dag en de nacht doorbrengen. Tot
de dagelijkse gang van zaken behoort ook het tabaksstrippen. De kleine ruimte waarin
meerdere personen samen leven is toch al niet licht en luchtig en daar voegt het
tabaksstrippen een nare tabaksgeur en tabaksstof aan toe.
Het zijn de onderwijzers in het lager onderwijs die als eersten de aandacht vestigen
op de slechte conditie waarin de kinderen verkeren. Zij alarmeren de arbeidsinspectie.
Enige tijd later doet de gemeente dat eveneens.9
In 1904 sterven 14 kinderen uit de arbeidersbuurten aan de mazelen. De gemeentearts
signaleert:
"Zelfs kleine kinderen met
deze ongezonde bezigheid [het strippen] worden belast. In de gezinnen hebben door
gebrek aan zindelijkheid en zuivere lucht en door exploitatie van de kinderen, wier
weerstandsvermogen verloren gaat, besmettelijke ziekten dikwijls een slepend of dodelijk
verloop."10
In 1901/'02 en 1906 onderzoekt
de Arbeidsinspectie de omstandigheden in de huisindustrie waaronder het tabakstrippen
te Wageningen.11 Conclusie van het onderzoek is, dat er in Wageningen
onaanvaardbare omstandigheden zijn aangetroffen, maar dat die allen kunnen worden
opgelost door uitbreiding van de arbeidswetgeving. De arbeidswet biedt alleen bescherming
aan werknemers werkzaam in fabrieken en werkplaatsen, maar is niet van toepassing
op de huisindustrie. Het verzet tegen dit onrecht bereikt een hoogtepunt in 1908
met de tentoonstelling over huisindustrie in Amsterdam. Op de tentoonstelling zijn
verschillende vormen van huisindustrie te zien onder nauwkeurig nagebootste omstandigheden.
Zo is er ook een Wageningse familie die in 'hun eigen huiskamer' tabakstrippen. De
verontwaardiging over de slechte arbeidsomstandigheden is groot. Aan dergelijke ouderwetse
praktijken als, lange werkdagen en uitbuiting van werknemers moet een einde komen.
De arbeidsinspectie daagt, misschien wel tegen beter weten in, op grond van de arbeidswet
de tabakshandelaren Koch en De Voogt voor de rechter. Doel is om werknemers in de
huisindustrie gelijkgesteld te krijgen met die in fabrieken en werkplaatsen. De kantonrechter
te Wageningen stelt de arbeidsinspectie in het ongelijk en spreekt de ondernemers
vrij. De huisvrouwen hebben geen dienstverband met de tabaksfirma's en de kinderen
verrichten geen fabrieksarbeid is zijn oordeel. Ook in hoger beroep wordt de eis
van de Arbeidsinspectie verworpen. De Hoge Raad acht het van toepassing verklaren
van de Arbeidswet in strijd met de bedoeling van de wetgever.12 Na afloop
van de rechtszaken ebt de belangstelling weg. De huisindustrie gaat onverminderd
door. Het tabaksstrippen als huisindustrie vindt haar einde in de Eerste Wereldoorlog.
De handel in tabak komt door de oorlog stil te liggen.
- de sigarenmakerij
De 'zegetocht' van de sigaar begint in het midden van de 19e eeuw. De ontwikkeling
van de koloniale tabakscultuur in Nederlands-Indië doet de oude tabaksmarkten
van Rotterdam en Amsterdam weer opbloeien. De Indische tabak leent zich uitstekend
voor het maken van sigaren. Het aantal sigarenmakers in Nederland stijgt van minder
dan 2.000 in 1850 tot 15.000 in 1890. De groei zet door tot meer dan 25.000 sigarenmakers
ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Daarna zijn de hoogtijdagen van de sigaar voorbij
en wint de sigaret, tot dan toe gezien als een product voor verwijfde dandy's en
vrouwen van lichte zeden, aan populariteit.13
De sigarenmaker van de tweede helft van de 19e eeuw is een apart en ook wel berucht
soort werkman, die vaak een ongeregeld en zwervend bestaan leidt. Vrouwen en jonge
kinderen strippen de tabak, terwijl de wat oudere jeugd werkt als bosjesmaker (degene
die het omblad wikkelt om het binnengoed). Volwassenen werken tien tot twaalf uur
per dag. Drankmisbruik ó ook in de werkplaatsen - is eerder regel dan uitzondering.
'Maandag houden' komt regelmatig voor. De arbeidsverhoudingen in de sigarenmakerij
zijn slecht. Werkonderbrekingen, arbeidsconflicten en verbeten stakingen zijn dan
ook geen incidenten. Eerst in 1913 slagen de sigarenmakersbonden erin erkenning af
te dwingen bij de werkgevers en wordt er een loonregeling ingevoerd die de arbeidsmarkt
stabiliseert. Vóór die tijd houden veel sigarenmakers het slechts enkele
weken bij een baas uit, waarna ze vertrekken om hun geluk elders te zoeken. De aard
van het bedrijf leent zich daartoe. Sigarenbedrijfjes schieten overal in het land
als paddestoelen uit de grond om bijna even vaak weer net zo snel te verdwijnen.
Iedereen kan proberen in deze bedrijfstak de kost te verdienen. Er is geen grote
vakkennis vereist en ook geen kapitaal. Tabak kan naar behoefte worden ingekocht,
machines worden niet gebruikt en een bedrijfspand is niet vereist. Huisnijverheid,
klein-, midden- en grootbedrijf het bestaat allemaal naast en door elkaar.14
- Nederlandsche Sigarenmakers en Tabaksbewerkersbond
De afdeling van de Nederlandsche Sigarenmakers en Tabaksbewerkersbond
(NSTB) in Wageningen dateert van 4 juli 1891. Helaas is het archief van de bond,
vanwege de oorlogshandelingen op het eind van de Tweede Wereldoorlog, verloren gegaan.
De oprichtingsdatum zowel als wie de eerste bestuursleden zijn berust op overlevering.
De sigarenmakers P.J. Haitsma, C.C. Agelink en H. Peters behoren tot de oprichters
en eerste bestuursleden van de NSTB te Wageningen.15
Het congres van de NSTB dat plaats vindt op 2 en 3 april 1899 besluit om een verspreid
hoofdbestuur samen te stellen. Dat wil zeggen dat het hoofdbestuur niet langer wordt
opgedragen aan het bestuur van één afdeling, maar dat het hoofdbestuur
wordt samengesteld uit vertegenwoordigers uit verschillende afdelingen. Het dagelijks
bestuur, bestaande uit 5 personen, zetelt in Amsterdam, terwijl Deventer, Groningen,
's-Hertogenbosch, Rotterdam, Utrecht en Wageningen elk één hoofdbestuurder
benoemt.16 Vanaf 1899 heeft er dus een Wageningse sigarenmaker zitting
in het hoofdbestuur van de NSTB. Met zekerheid is het niet bekend wie dat is geweest.
Op de jaarvergadering van de afdeling Wageningen in 1949 wordt stil gestaan bij het
overlijden van G. Hoogstraten. Hoogstraten is 60 jaar lid geweest van de NSTB. Hij
is medeoprichter van de afdeling Arnhem en jarenlang bestuurslid van de afdeling
Wageningen.17 Het is dus zeer waarschijnlijk dat hij de Wageningse hoofdbestuurder
van de NSTB is geweest.
Uit de beginjaren van de NSTB afdeling Wageningen is ons hoegenaamd niets bekend.
In 1903 is ene Heitsma penningmeester van de afdeling.18 In 1906 telt
de bond in Wageningen 70 leden. Daarna groeit de bond gestaag. In 1912 telt ze 106
leden en in 1920 342. De ontwikkeling laat een nauwe verwantschap zien met de groei
aan werkgelegenheid in de sigarenindustrie in Wageningen. In de jaren dertig van
de 20e eeuw is tegen de 60% van de werknemers in de sigarenindustrie georganiseerd
bij de NSTB. Tegen de 20% is aangesloten bij de R.K. bond en verder nog enige bij
de christelijke en de syndicalistische organisaties.19
- werkgelegenheid
Het fabrieksmatig maken van sigaren ontwikkelt zich in Nederland vooral in de
tweede helft van de 19e eeuw. Massaal gebruik van tabak is nog onbekend en er zijn
maar weinigen die denken aan tabak als grondstof voor een product, dat zijn weg over
de hele wereld zal vinden. Hillen's Sigaren en Tabaksfabrieken te Delft rond 1790
en de firma Justus van Maurik te Amsterdam in 1794 zijn de pioniers van de sigarenindustrie.
Daarna worden er vrijwel overal in het land sigarenfabrieken opgericht. De Nederlandse
sigarenindustrie verwerft zich een naam in de wereld en reeds in 1898 wordt door
de gezamenlijk sigarenindustrie 1,2 miljoen kilo sigaren geëxporteerd. Dat zal
nog groeien tot 6 miljoen kilo in 1920, waarmee de vooroorlogse top is bereikt.20
In Wageningen heeft de in 1876 gevestigde Tabak- en Sigarenfabriek van de Fa. Opstelten
& Co de primeur.21
In het midden van de negentiende eeuw zijn er in Wageningen vier sigarenfabriekjes.
Een halve eeuw later is dat aantal verdubbeld tot acht. In 1914 zijn het er tien.22
Volgens een onderzoek naar de arbeidsomstandigheden van de Nederlandse werknemer
ingesteld door NVV en SDAP in 1907 werken er in Wageningen in de sigarenindustrie
zo 'n 100 mannen en 40 kinderen tussen 12 en 14 jaar. De fabrieken maken gebruik
van thuiswerkers, maar daar komt door wetgeving in 1920 een einde aan. Het aantal
bedrijven neemt daardoor af. De wet verbiedt het thuiswerken voor rekening van de
fabriek. De fabriek van W. Geurts & Co. ó opgericht in 1901 ó behoort tot de
bedrijven die de wet 'overleeft'. In 1920 telt het bedrijf zo 'n twintig werknemers.
Geurts zwager J. van Schuppen is de stichter van de Ritmeester Sigarenfabriek te
Veenendaal. Op 1 oktober 1924 gaan de twee zonen van Van Schuppen een compagnonschap
aan met hun oom onder de naam: W. Geurts en Van Schuppen. De merknamen worden vervangen
en in Wageningen wordt vanaf dat moment onder de merknaam Schimmelpenninck sigaren
gemaakt. Het is een vernoeming naar Rutger Jan Schimmelpenninck, raadspensionaris
in 1805 en 1806 van de Bataafse Republiek.
Geleidelijk groeit het aantal werknemers. In 1929 zijn er 71 mensen in dienst, die
jaarlijks 2 miljoen sigaren produceren. Geurts trekt zich in 1930 terug. In 1931
wordt het pand van de failliete leerlooierij Gebr. Roes aan de Stationsstraat gekocht.
De productie in dat jaar bedraagt 5.500.000 sigaren. Langzamerhand verandert ook
het ambachtelijke sigaren maken in een meer industriële aanpak. Het inzetten
van machines draagt bij aan een snelle stijging van de productie. In 1939 worden
met 700 werknemers 32 miljoen sigaren geproduceerd.23
In het tweede decennium van de 20e eeuw is de sigarenfabriek van de firma Baars &
Zoon in de Nude de grootste in zijn soort in Wageningen. Het bedrijf produceert onder
de merknaam 'Victor Hugo'. In 1917 telt de fabriek 117 arbeiders waaronder 72 jongens
en meisjes.24 De groei bij Baars is opmerkelijk aangezien de werkgelegenheid
bij de andere sigarenbedrijven gelijk is aan die van tien jaar daarvoor. Vermeldenswaard
is de vestiging van een sigarenfabriek van Van Nelle in Wageningen. Succesvol is
deze niet en in 1922 is ze al weer verdwenen.25
De fabriek van Baars wordt in de oorlog verwoest en niet meer opgebouwd.
- voor een fatsoenlijk bestaan
De arbeidsvoorwaarden aan het begin van de 20ste eeuw zijn naar willekeur en
eenzijdig vastgesteld. De verhoudingen in de veelal kleine bedrijven zijn sterk patriarchaal.
De Wageningse sigarenfabriekjes tellen betrekkelijk weinig werknemers. Sigarenfabriek
Keizer heeft zeven man in dienst, Van Lonkhuyzen drie en Gerdes veertien. Ook Schimmelpenninck
groeit pas in de jaren twintig uit tot een groot bedrijf.
De arbeidsdag van de sigarenmaker bedraagt zo 'n 10,5 uur onderbroken door een enkele
schaft van 1 á 1,5 uur. Zonder overwerk wordt dus twaalf uur per dag op de
fabriek doorgebracht. Kinderen werken een uur per dag korter. Omdat er veelal in
kleine en bedompte ruimten wordt gewerkt komt tuberculose onder sigarenmakers veel
voor. Het loon van sigarenmaker in Wageningen is gemiddeld É8,00 per week.26
Het is dan ook geen wonder dat loonsverlagingen tot verzet oproepen. Stakingen tegen
loonsverlaging zijn aan de orde in 1904, 1907 en 1912. Ze duren lang: twee, drie
en één geval zelfs vier maanden. Het helpt niet echt. In het gunstigste
geval wordt er geschikt, dat wil zeggen: de loonsverlaging gaat wel door, maar niet
zoveel als de baas oorspronkelijk wel wilde. Meestal moeten de sigarenmakers het
verlies van de staking accepteren. Voorzover ze in het bedrijf terug mogen komen,
moeten ze gewoon weer aan het werk tegen een lager loon. Eind jaren twintig en begin
jaren dertig van de 20e eeuw zijn er stakingen, die allemaal slechts één
dag duren en allemaal dezelfde achtergrond hebben. In alle gevallen gaat het om het
ongedaan maken van ontslag van een vakbondswoordvoerder. In alle gevallen wordt na
een korte staking het ontslag teruggedraaid.27 Het zegt waarschijnlijk
veel over de arbeidsverhoudingen, die nog steeds patriarchaal zijn, maar nu toch
meer tegenwicht krijgt door een betere organisatie van de werknemers. Het belangrijkste
conflict is de staking van 1913 die vier maanden duurt. Het is geen typisch plaatselijk
conflict, maar een staking die een landelijk karakter heeft. Naast de sigarenmakers
in de grote steden zijn naast anderen ook de sigarenmakers te Amerongen, Veendendaal
en Wageningen betrokken.
De staking kent een lange voorgeschiedenis die ten nauwste verband houdt met de wens
van een minimumloonregeling voor de hele sigarenindustrie. De behoefte aan een bindende
regeling is groot zowel vanwege het verschil in betaling per bedrijf en per plaats,
maar ook vanwege de willekeur die een fabrikant kan toepassen in bestaande loonafspraken.
Als op een fabriek een actie is gevoerd en f 0,25 per 1000 meer loon voor
een bepaalde sigaar is verkregen en die sigaar wordt daarna iets korter of dunner
gemaakt of niet met Sumatra, maar met Java opgedekt dan geldt het tarief niet meer,
want er is dan sprake van een 'nieuwe' sigaar. Al in 1905 verschijnt er een rapport
van de R.K. Tabaksbewerkersbond "St. Willibrordus". De stuklonen variëren
van 16 - 34 cent de 1000 in Valkenswaard tot 30 - 80 cent in Culemborg. De kistenplakkers
in Eindhoven hebben een loon van f 4 tot f 6, die in Gouda van f
8 per week. In 1910 komen de samenwerkende bonden tot een program van eisen met daarin
centraal de eis van een landelijk minimumloon en het verlangen van een maximum werkdag
van tien uur. Onder de titel Het Gemeenschappelijk Program worden deze voorstellen
bij de patroonsorganisaties ingediend. De onderhandeling tussen de werknemers en
werkgeversorganisatie sleept zich eindeloos voort. Twee jaar later is er nog geen
enkele voortgang, behoudens de duidelijkheid dat de patroonsorganisaties alles afwijzen.
Onder stakingsdreiging wordt er in Amsterdam resultaat geboekt en komt er een minimumloonregeling
tot stand. In het zuiden van het land laten de werkgevers het op een confrontatie
aankomen, maar op bevel van de bisschop komt er een arbitrage tot stand. De werkzaamheden
van de arbitrage gaat enige tijd kosten. De inzet voor een landelijke regeling is
vooralsnog mislukt en besloten wordt om per plaats en per regio te onderhandelen
over de regeling. Gorinchem, Dordrecht en Rotterdam moeten het spits afbijten. De
onderhandelingen mislukken en op 20 januari 1913 wordt er gestaakt. De werkgevers
reageren met uitsluiting. Op 17 februari staan alle georganiseerde sigarenmakers
ten noorden van de grote rivieren op straat. Op aandrang van de ANSTB worden nu ook
de niet georganiseerde sigarenmakers opgeroepen het werk neer te leggen. Op 1 maart
1913 zijn 4.277 georganiseerde sigarenmakers uitgesloten, waar onder 3006 leden van
de sociaal-democratische bond. Nog eens 474 ongeorganiseerden komen voor diens rekening.
Het conflict omvat 168 fabrieken in 44 plaatsen. De arbitrage in het zuiden wordt
in stilte voortgezet. Naar later blijkt gebeurt er eigenlijk niets en wacht men doodleuk
de afloop van de staking/uitsluiting in het noorden af. Eerst eind april komen er
weer gesprekken opgang tussen de werkgevers en werknemersorganisaties die op 19 mei
tot een akkoord leiden. De landelijke minimumloonregeling is een feit. Voor het vormwerk
is sprake van twee klassen: 'recht en schuin' en 'knak en buik'. Het loon aanpassen
omdat er sprake is van een 'nieuwe' sigaar is dus niet meer mogelijk. Het aantal
'plaatselijke' loonregelingen wordt teruggebracht naar vier. Amsterdam en Rotterdam
vormen de hoogste 'gemeenteklasse'. Wageningen en de omliggende gemeenten zijn ingedeeld
in klasse drie. Het loon varieert in klasse drie van 40 tot 57,5 cent de duizend
voor recht en schuin en van 40 tot 60 cent de duizend voor knak en buik.28
- de R.K. Tabaksbewerkersbond 'St. Willibrordus'
Op 3 juni 1907 wordt een afdeling van de R.K. Tabaksbewerkersbond opgericht.
Belangrijk motief voor de oprichting vormt het geloof. Initiatiefnemer en eerste
voorzitter van de afdeling J.B. Wegh, zal tenminste bij het vijftienjarig bestaan
van de afdeling verklaren, dat hij lid is geweest va de moderne bond, maar "zij
moesten het geloof van de arbeiders niet aantasten, dan kan men ze beter op een dwaalspoor
brengen."29 In de crisisjaren verlaat Wegh kennelijk het vak van
sigarenmaker want in 1978 komen we hem tegen op een bijeenkomst van de Kabo, waar
hij gehuldigd wordt voor 65 jaar lidmaatschap. Volgens mededeling van Wegh zelf is
dat een jaar te laat want hij is 26 jaar lid geweest van de sigarenmakersbond en
35 jaar van de ambtenarenbond.30
Dat de verdediging van het katholieke geloof en de bestrijding van de socialisten
een belangrijke leidraad is voor het functioneren van de R.K. Tabaksbewerkersbond
blijkt uit het verslag van de ledenvergadering van 13 juni 1919, waarin wordt meegedeeld
dat "de invoering van de bedrijfsraden er vooral omgaan om de socialisten de
loef af te steken." Een bond die er meer op uit is om de socialistische concurrent
te bestrijden zal het niet snel aan de stok krijgen met een werkgever. Toch slaagt
fabrikant Baars erin om in 1920 de bond tegen zich in het harnas te jagen. Baars
weigert zijn werknemers vrijaf op R.K.-feestdagen, terwijl toch in de cao staat:
"Patroons moeten gelegenheid geven om het verzuim ontstaan door het houden van
het R.K. feest- of Heiligendagen, te laten inhalen, mits er geen technische bezwaren
zijn." Het vrijaf hoeft Baars dus niets te kosten afgezien van wat organisatorische
maatregelen. Na enig overleg wordt de contoverse met Baars bijgelegd.
Als de R.K. Tabaksbewerkersbond afdeling Wageningen in 1922 haar vijftienjarig bestaan
herdenkt telt ze 60 leden.
|
- H.K. Roesingh,'Amsterdam en de
tabaksteelt in Nederland' in: Spiegel Historiael (febr. 1978)
- D. Pezarro, De teelt van tabak
in Amerongen en omgeving (Amerongen 1987)
- A. Rietveld, SchimmelpenninckÖ
fijnÖ die ken ik! De Wageningse jaren 1924-2001 (Wageningen 2001) p. 1
- Onderzoekingen naar de toestanden
in de Nederlandsche Huisindustrie. Deel I. Voedings- en genotmiddelen ('s-Gravenhage
1911) p. 220
- C.D. Gast, Van kloostermop tot
straatklinker: een beknopt overzicht van de baksteennijverheid in Wageningen (Wageningen
1996) p. 39-40
- Onderzoekingen naar de toestanden
in de Nederlandsche Huisindustrie. Deel I. Voedings- en genotmiddelen ('s-Gravenhage
1911) p. 220-221
- Wageningsche Courant (10 maart
1909)
- A. Hoogmoed-Bakker, 'Tabaksstrippen
als huisindustrie in Wageningen' in: Historische reeks 'Oud Wageningen' (Wageningen
1983 ) Nr. 2, p. 69-71
- A. Hoogmoed-Bakker, 'Tabaksstrippen
als huisindustrie in Wageningen' in: Historische reeks 'Oud Wageningen' (Wageningen
1983) Nr.2, p. 71-72
- Wageninsche Courant (2 augustus
1904)
- A.G. Steenbergen,'Firma Koch
en Co. - Tabakshandel' in: Historische Reeks van de Historische Vereniging "Oud-Wageningen"
(Wageningen 1990) Nr. 5, p.68
- A. Hoogmoed-Bakker, 'Tabaksstrippen
als huisindustrie in Wageningen' in: Historische reeks 'Oud Wageningen' (Wageningen
1983) Nr.2, p. 75-76
- 'De triomf van de sigaar' in:
A.F. Manning en P.W. Klein e.a., Nederland rond 1900 (Amsterdam 1997)
- 'De triomf van de sigaar' in:
A.F. Manning en P.W. Klein e.a., Nederland rond 1900 (Amsterdam 1997)
- H.M. Meijnen, 'De Algemene Nederlandsche
Sigarenmakers en Tabakbewerkers Bond afd. Wageningen' in: De Bestuurder. Mededelingenblad
van de N.V.V. Bestuurdersbond te Wageningen (Wageningen 1951) 1ste Jaargang No. 12
- W. v.d. Hoeven, De Nederlandse
Sigarenmakers en Tabaksbewerkersbond opgericht op 26 december 1887. Zijn geschiedenis,
werken en streven (Amsterdam 1937) p. 47
- Archief Alg. Ned. Sig. en Tabaksbew.
Bond afdeling Wageningenin in: Archief Het Volkshuis Notulenboek 1945-1954, Jaarvergadering
28-1-1949
- Archief SDAP/PvdA afdeling Wageningen
(1902-1978) in: GA Wageningen Inv. Nr. 1 Notulen der afd. Wageningen SDAP
- D. Regeling, De stad der tegenstellingen.
Een sociografie van Wageningen (Wageningen 1933) p. 76
- W. van Amerongen, "Ritmeester
Intimus" ruim een eeuw sigarenfabriek (Veenendaal 1988) p. 14-16
- Archief Mr. I. Opstelten (ca.
1880-1919) (1988) in: GA Wageningen
- A. Rietveld, SchimmelpenninckÖ
fijnÖ die ken ik! De Wageningse jaren 1924-2001 (Wageningen 2001) p.1
- Idem p. 1-2
- C.D. Gast, Honderd jaar Wageningen
in beeld, 1860-1960 (Lublijana 2000) p. 66
- De gemeente Wageningen: welvaartsbronnen
en ontwikkelingsmogelijkheden (Arnhem 1954) p. 27
- I.G. Keesing en J. v.d. Tempel,
Arbeidersleven in Nederland (Amsterdam 1908) p. 44-49
- S. van der Velden, Stakingen
in Nederland 1810-1999 (Amsterdam 1999) (CD-rom)
- W. v.d. Hoeven, De Nederlandse
Sigarenmakers en Tabaksbewerkersbond opgericht op 26 december 1887. Zijn geschiedenis,
werken en streven (Amsterdam 1937) p. 66-81
- Notulenboek R.K. Tabaksbewerkersbond
Wageningen.
- Archief Kabo, afdeling Wageningen
(1946-1979) in: Parochiearchief te Wageningen.
|