|
- plattelandsbevolking
De landbouw is als bron van bestaan in Nederland in de eerste helft van de 19e
eeuw van overheersende betekenis. Omstreeks het midden van de eeuw werkt in Gelderland
55% van de mannelijke beroepsbevolking in de agrarische sector en zijn de schaarse
industriële activiteiten voornamelijk daarop afgestemd. Op het platteland gaat
het de arbeider in vergelijking met zijn lotgenoten in de stad beter. In een stad
als Amsterdam is in 1852 22% van de bevolking bedeeld en enige jaren later zelfs
ruim 31%. De schatting is dat tussen een kwart en een derde van de Nederlandse bevolking
in het midden van de 19e eeuw van de bedeling leeft. Zo bezien gaat het op het platteland
beter aangezien daar 'slechts' tussen de 8 en 15% zich in leven houdt dankzij de
bedeling. Uit het verslag van de Commissie van Spijsverstrekking te Wageningen
over 1854 blijkt dat er elke dag meer dan 700 maaltijden zijn versterkt terwijl het
aantal inwoners ongeveer 4.000 is.1 Wie dat aantal omzet in een percentage
zal ontdekken wat het aantal bedeelde betreft Wageningen het midden houdt tussen
het platteland en de grote stad. Een van de redenen dat het de plattelander beter
gaat is dat hij vaak een stukje land ter beschikking heeft om wat groente te verbouwen
waarmee hij deels in zijn primaire levensbehoefte kan voorzien. Desondanks is de
armoede groot en neemt zelfs nog toe door rondtrekkende werkzoekers die zich, meestal
tevergeefs, in de agrarische sector als dagloner willen verhuren.2
De vroeg industriële baksteenfabricage vertoont qua karakter nauwe verwantschap
met de landbouw. De steenovens staan buiten de steden of dorpen en zijn gelijk de
boeren en de landarbeiders sterk met de grond verbonden. De nieuwe baksteennijverheid
biedt aan werkloze landarbeiders werkgelegenheid. Aanvankelijk komen de steenfabriekarbeiders
overwegend uit het agrarische milieu. Het is dan ook geen wonder dat de arbeidsomstandigheden
in de baksteenindustrie vergelijkbaar zijn met die van de minste arbeiders en keuters
in de landbouw. Het is werken van zonsopgang tot zonsondergang en vaak met inzet
van het hele gezin.3 Het lage loon dwingt de steenfabriekarbeider vrouw
en kinderen mee te nemen naar de fabriek om zo het karige loon wat aan te vullen.
- de ontwikkeling van de baksteenindustrie in Wageningen
De baksteenfabricage in de uiterwaarden bij Wageningen gaat terug tot de 13e
eeuw. In 1240 laat Otto III van Gelre drie ovens bouwen voor bakken van stenen voor
de vestingmuren. Mogelijk staan deze ovens in de waard waar nu het jachthaventerrein
zich bevindt. De naam van de waard 'Steenovensweert' duid op de aanwezigheid van
dit laat middeleeuwse bedrijf. Ook in latere eeuwen zijn er steenovens in de uiterwaarden
te vinden.4 In 1837 is sprake van een nieuw begin met de oprichting van
tweetal bedrijven; de pannen- en estrikenfabriek5 de 'Phoenix' in de Nude
en een steenfabriek aan de mond van de Rijnhaven, daar waar zich nu de jachthaven
bevindt. Dat het echt een nieuw begin is getuigt de opgave die de gemeente aan de
provincie doet in 1819: "Fabrieken bestaan er in de gemeente niet dan alleen
een aarden- of pottenfabriek, die van weinig aanbelang is."6 Het
is J.M. Rosenik, een Wageninger die fortuin heeft gemaakt te Amsterdam, die de steenfabriek
'De Steenovensweert' opricht. Na enige jaren verkoopt Rosenik het bedrijf aan ene
V.J. van Dolder die zo voortvarend laat afgraven dat de zomerdijk moet worden verlegd
en een flink stuk van de waard aan de rivier moet worden prijsgegeven. Over de gevaarlijke
situatie die ontstaat schrijft de hoofdingenieur van waterstaat Ferrand aan de gouverneur
van de provincie Gelderland: "De kade, die daarenboven zeer slecht gemaakt is,
bezwijkende, kan de rivier, geholpen door de gedane uitgravingen binnen de kade,
zich over die lage gronden een weg banen, den Grebbedijk tot schaardijk maken, en
zal dan het gehele gedeelte van den Benedenpolder van Wageningen door de rivier ingenomen
worden".7 In 1843 is de Engelsman Robert Bowles eigenaar van de Steenovensweert.
Hij vindt een compagnon in de Waal Joannes Lans. Bowles en Lans stichten samen in
1848 de steenfabriek 'De Bovenste Polder'. Het compagnonschap houdt slechts enkele
jaren stand waarna het bedrijf wordt gesplitst: Bowles wordt eigenaar van De Steenovensweert
en Lans krijgt De Bovenste Polder. Gedurende de campagne in de zomermaanden werken
bij beide bedrijven gezamenlijk circa 80 mensen. In 1862 vervangt Lans De Bovenste
Polder door een nieuwe fabriek. In datzelfde jaar verzet hij zich - zonder succes
- tegen de plannen van een Zwolse fabrikant om in 'De Hooge Waard' een steenfabriek
te vestigen. Lans vraagt in 1875 vergunning om een stoommachine te mogen plaatsen
in zijn fabriek. De machine komt er niet of niet in bedrijf, want in het gemeenteregister
wordt de stoommachine niet vermeld. Het duurt tot 1880 eer in de Wageningse steenfabricage
stoom wordt toegepast. De Steenovensweert heeft de primeur. Het is vermoedelijk de
steenpers die van stoomtractie wordt voorzien. Ook de pannenfabriek in De Nude krijgt
in 1880 een stoommachine, maar machine blijft koud en wordt niet in bedrijf gesteld.
Tegen het eind van de 19e eeuw komt de Steenovensweert in de problemen. De kleivoorraad
bij het bedrijf is uitgeput. De snelle uitputting van de kleivoorraad vindt mede
zijn oorzaak in de aanwending van de klei voor het ophogen van de Grebbedijk. In
1909 is de voorraad zo sterk geslonken dat de fabriek moet sluiten. De gemeente Wageningen
koopt de grond, of misschien beter gezegd de put. In 1912 kan de jachthaven worden
geopend.
De Bovenste Polder met zijn drie veldovens wordt in 1881 overgenomen door H.D. Gideonse
die het bedrijf zo'n twintig jaar in bezit zal hebben. Daarna wisselt de fabriek
verscheidene malen van eigenaar om in 1921 in het bezit te komen van L.J. Duijs die
in 1923 de veldovens laat afbreken en een zigzagringoven in de plaats laat zetten.
Aan het bezit van Duijs wordt in 1930 de steenfabriek De Hoge Waard, opgericht in
1862, toegevoegd. In 1876 gaat De Hoge Waard over in handen van het steenfabrikantengeslacht
Mijnlieff, die er meer dan vijftig jaar de scepter zal zwaaien. Nadat Duijs de fabriek
heeft gekocht laat hij ook hier de veldovens slopen en vervangen door een vlamoven.
Tegen het eind van de 19e eeuw komen er nog drie steenfabrieken bij. In 1918 wordt
de laatste, gerekend vanaf De Steenovensweert de zevende, steenfabriek van Wageningen
in gebruik genomen. Op rij zijn dat in 1881 'De Blauwe Kamer', in 1897 'De Plasserwaard',
in 1898 'De Maneswaard' en tot slot in 1918 'De Koebongerd'. De Blauwe Kamer maakt
een snelle groei door. Telt het bedrijf bij aanvang 40 werklieden in 1886 zijn dat
er 95 en zes jaar later zelfs 120. De drie veldovens worden in 1918 vervangen door
een ringoven. De Plasserwaard kent twee veldovens en heeft in 1901 96 volwassen mannen
en 16 jongens in dienst. De bloei van het bedrijf is slechts van korte duur want
een jaar later is het werknemersbestand al gedaald tot 30 mannen en 16 kinderen.
De Plasserwaard heeft meer dan de andere steenfabrieken te lijden van de malaise
in de bouw. In 1918 zijn er nog slechts 8 werknemers in dienst en in 1920 is het
gebeurd met het bedrijf. Als ware het een feniks verrijst tien jaar later op dezelfde
plaats een nieuwe steenfabriek met de naam De Plasserwaard. De Maneswaard staat aan
de overzijde van de rivier op het enige stukje Betuwe wat tot de gemeente Wageningen
behoort. In 1915 telt het bedrijf 115 werknemers. In 1930, twee jaar nadat de vijf
veldovens zijn vervangen door een vlamringoven, heeft de Maneswaard een primeur.
Als eerste bedrijf in Nederland neemt het een droogpersinstallatie in gebruik. Tegenover
de vele voordelen staat het niet verwaarloosbare nadeel dat de kwaliteit van de steen
minder is. In de crisisjaren breekt die mindere kwaliteit het bedrijf op, zodat ze
in 1936 de poort moet sluiten. De jongste steenfabriek De Koebongerd werkt van aanvang
af met een ringoven, die in 1927 wordt gemoderniseerd tot vlamringoven.8
- van veldoven tot ringoven
Nog aan het begin van de 20ste eeuw is de veldoven het algemeen gebruikte oventype
in de steenbakkerij. Een veldoven bestaat uit twee zware muren die op enige afstand
evenwijdig aan elkaar staan met aan de onderkant tegenover elkaar liggende stookopeningen.
Aan de buitenzijde staat tegen elke stookopening een zogenaamde stookhut. Tussen
de muren worden, met uitsparing van stookkanalen, de rauwe stenen opgestapeld, waarna
de boven-, tussen- en achterzijde wordt afgedekt. Als brandstof wordt steenkool gebruikt,
al werd vroeger ook met turf gestookt. Het bakproces in een veldoven bedraagt acht
weken. Omstreeks 1900 komt de zogenaamde ringoven in zwang, die economischer kan
worden gestookt. De ringoven is een constructie waarin twee lange overwelfde en evenwijdig
lopende kanalen aan beide uiteinde met elkaar verbonden zijn door een halfcirkelvormig
kanaal. Het geheel vormt op die manier een doorlopende ellips. In de buitenmuur zijn
op vaste afstanden poorten aangebracht waardoor de stenen in en uitgekruid kunnen
worden. In een ringoven is een continu stook en bakproces mogelijk. Er staan altijd
poorten open voor het in dan wel uitkruien van de rauwe of gebakken steen. Een open
poort zorgt tevens voor lucht ter afkoeling voor de zojuist gebakken steen. De koele
lucht die strijkt over de hete stenen wordt zo voorverwarmd en geleid over de rauwe
steen. Het bakproces vindt daardoor meer geleidelijk plaats en er wordt een meer
homogene kwaliteit aan baksteen verkregen. Het vuur in een ringoven gaat als het
ware rond van kamer tot kamer en zorgt daarmee voor een continu proces.9
De Plasserwaard en De Maneswaard worden in 1897 resp. 1898 nog voorzien van veldovens.
De Wageningse steenfabrieken gaan allen tussen 1918 en 1930 over op een ringoven.
De Hoge Waard is de laatste die deze modernisering doorvoert. De vlamringoven en
de zigzagringoven zijn varianten op de ringoven waarmee een beter rendement kan worden
gehaald.
- het steenovenvolk
Het steenovenvolk verkeert zowel letterlijk als figuurlijk aan de rand van de
maatschappij. Door armoede, gebrek aan scholing, slechte behuizing en in combinatie
daarmee de kinderrijke gezinnen zijn zij een aparte groep afzijdig van de plaatselijke
gemeenschap. Hun isolement is wel het sterkst als ze gehuisvest zijn op het fabrieksterrein,
maar ook als dat niet het geval is zijn ze gehuisvest in de minste buurten afzijdig
van de overige inwoners. De Wageningse steenbakkers wonen in de armoedigste huizen
in de Mennonietenbuurt (ten westen van de Costerweg tussen Troelstraweg en Lawickse
Allee) en in Lombok (nu Asterstraat e.o.). Wie overigens denkt dat de arbeiders die
wonen bij de steenfabriek goedkoper uit zijn heeft het mis. Voor de tien woningen
die op het terrein van De Blauwe Kamer staan wordt É1,00 per week huur gerekend,
met inbegrip van de huisbrandkolen "anders stelen ze die toch maar" aldus
de steenfabrikant A.J. Bos.10
De gezeten burger houdt zich in de regel verre van het steenovenvolk en ook de gemeentebesturen
zijn niet blij met hun aanwezigheid. De aanwezigheid van een omvangrijke groep steenarbeiders
gaat gepaard met veel armoede, die vooral in de winter een aanzienlijke aanslag doet
op de armenkas.11 De wel zeer cynische uitspraak van de steenfabrikant
A.N. Costerus spreekt boekdelen "Arbeiders moest je 's winters, net als bieten,
in kunnen kuilen".
De arbeidsduur is aan het begin van de 20ste eeuw nog vrijwel ongelimiteerd en van
kinderarbeid is nog veelvuldig sprake. Arbeidstijdverkorting is dan ook vanzelfsprekend
een van de hoofdpunten in het streven van de arbeidersbeweging. Politiek en vakbeweging
gaan hand in hand om tot verbetering te komen. Het SDAP kamerlid Jan Schaper dient
op 24 december 1906 een motie in:
"De Kamer, van oordeel dat, naast de grootst mogelijke beperking van den nachtarbeid
en betere bescherming van kinderen en jeugdige personen, de wettelijke beperking
van den arbeidsduur voor alle volwassen arbeiders, en wel tot tien uren per etmaal,
gewenscht is, gaat over tot de orde van de dag."
De behandeling van de motie in de Tweede Kamer wordt almaar uitgesteld. De minister
van Landbouw, Nijverheid en Handel wint ondertussen advies in terzake de arbeidsduur
en wat daarmee samenhangt. Natuurlijk zijn bij deze advisering geen werklieden betrokken
en om tegenwicht te geven wordt door de SDAP en het NVV gezamenlijk een enquête
ingesteld onder de werkliedenverenigingen met als doel gegevens te verzamelen over
de arbeidsduur, nachtarbeid en vrouwen- en kinderarbeid. De resultaten van de enquête
worden in 1908 gepubliceerd.12
Door de Wageningse vereniging van steenbakkers wordt aan de enquête deelgenomen
en daaraan danken we de volgende informatie. Bij de zes Wageningse steenfabrieken
werken in 1907 gezamenlijk 340 mannen en 15 vrouwen. Volgens de opgave werken er
geen kinderen. De Wageningse steenbakkers werken gemiddeld 11 uur per dag. De arbeidsdag
vangt aan om 5.00 uur en eindigt om 19.00 uur en wordt 4 á 5 maal onderbroken
voor een schaft. Twee mannen moeten gedurende nacht de oven stoken. Er wordt gewerkt
in een roulatiesysteem zodat om de vijfdagen twee man een nacht door moet werken.
Gedurende de helft van het jaar wordt ook op zondag gewerkt. Gedurende de zomermaanden
is er dus sprake van een werkweek van 77 uur. Diegene die een nacht moet doorstaan
om de oven te stoken werkt zelfs meer dan 85 uur. Het uurloon in de zomermaanden
is 9 cent per uur. Voor een 'normale' zomerse werkweek van 77 uur ontvangt een volwassen
steenbakker derhalve de 'vorstelijke' beloning van É6,93. De stokers krijgen voor
de nachtelijke uren 2 cent per uur meer. Vrouwen verdienen per uur 6 cent.
Niet alleen de duur van de arbeidsdag, maar ook de aard van het werk maakt dat het
werk op een steenfabriek zwaar en schier ondragelijk is. Het is handwerk en daar
brengt ook de mechanisatie aanvankelijk weinig verandering in.
- verzet
Lange werktijden, lage lonen en slechte werk en leefomstandigheden maken, dat
ondanks hun zwakke positie, de werklieden in de baksteenindustrie tot protest en
verzet komen. Met regelmaat is er sprake van arbeidsonrust bij een of meer van de
steenovens. De meeste stakingen die voor 1920 plaats vinden gaan verloren. Ongeschoold
en zonder behoorlijke leiding is het steenovenvolk in een conflict met hun werkgever
in een nadelige positie. De staking verontrust de fabrikant niet of nauwelijks. Het
ongeschoolde personeel vervangen is bij een ruime arbeidsmarkt een kwestie van hooguit
een dag. Een arbeidsconflict waarbij het personeel deels of geheel het werk neerlegt
wordt door de fabrikant vaak niet gezien als een staking. Naar zijn opvatting is
het gewoon werkweigering en ontslaat hij de stakers op staande voet.13
Ontslag is sowieso een sanctiemaatregel. Het 'de dijk' opsturen is dan ook een gevleugelde
uitdrukking. Het is zelden dat het gehele personeel van een fabriek in staking gaat,
meestal betreft het kleine groepjes als kruiers, gravers of vormers. Eendracht is
er zelden. Het aantal georganiseerde is gering en zijn de directe financiële
belangen te divers. In de driekwart eeuw die verloopt tussen 1890 en 1966 vinden
er, voorzover kan worden nagegaan, 26 stakingen plaats bij de Wageningse steenfabrieken.
De eerste staking vindt plaats in 1890 bij De Bovenste Polder en de laatste in 1966
bij De Koebongerd. Het omvangrijkst zijn de stakingen in het begin van de jaren twintig
van de 20ste eeuw. Het merendeel van de conflicten gaan over loon, zowel ter verbetering
als in verdediging tegen loonsverlaging.
Op 16 april 1890 gaan de werklieden bij de Bovenste Polder in staking. Naar het zich
laat aanzien is het een spontane uitbarsting zonder een directe aanleiding. De eis
van de stakers is loonsverhoging. Na een dag wordt de staking zonder resultaat alweer
opgeheven. Vermoedelijk heeft de werkgever, H.D. Gideonse, de stakers ontslagen en
is dat voor de meeste genoeg aanleiding om de strijd op te geven. Tien van hen keren
niet op het bedrijf terug. Of dat is omdat de werkgever ze niet meer in dienst neemt
of dat ze zelf hun heil ergens anders zoeken is niet bekend.14
Het is opnieuw de Bovenste Polder waar op 22 april 1906 een staking uitbreekt. De
staking is een verzet tegen een afgekondigde loonsverlaging van 2,5 cent de duizend
stenen (van 15 naar 12,5 cent) als er vanaf de wal gekruid moet worden en met 5 cent
de duizend als er over de krib moet worden gekruid (van 35 naar 30 cent).15
De staking begint onder de 12 man sterke kruiersploeg. Twee dagen later breidt de
staking zich uit. De werkgever geeft opdracht aan de gravers en vormers om het kruiwerk
te doen, maar deze weigeren dat en gaan ook in staking. In totaal staken er dan 31
werknemers. Op 10 mei wordt de staking volledig als ook de laatste zeven werknemers
die nog werken weigeren het kruiwerk en ook in staking gaan. Er bestaat nog steeds
geen organisatie onder de steenfabriekarbeiders in Wageningen, die de staking kan
steunen. Het NVV, nog geen halfjaar oud, steunt in de regel geen staking die niet
met haar instemming is gestart en dan nog uitsluitend de eigen leden. Slechts bij
uitzondering wordt aan ongeorganiseerde groepen steun verleend. Zo 'n uitzondering
vormt deze staking. De werklieden van de Bovenste Polder krijgen die steun, omdat
het een groep werknemers betreft "onder wie toen nog geen organisatie bestond."16
Na 25 dagen staken wordt door de werkgever de loonsverlaging ingetrokken en gaan
de werklieden weer aan de slag. De eensgezindheid onder de werknemers en de steun
van een vakorganisatie zorgen voor een voor de werknemers succesvolle afloop.
Nog tijdens de staking bij De Bovenste Polder is er ook sprake van arbeidsonrust
op de Maneswaard. De sjouwers komen in verzet tegen de personele onderbezetting.
Door de lage waterstand kunnen de schepen niet dicht genoeg bij de fabriek komen
en moet de kruier ver lopen met zijn kruiwagen beladen met steenkool. De tweede eis
is een loonsverhoging. Op 10 mei staken de kruiers, maar nog diezelfde dag verloopt
de strijd zonder dat enig succes is geboekt.17
- Eendracht Maakt Macht
De organisatie van werknemers komt op het platteland trager op gang dan in de
steden. Belemmeringen zijn een trage en gebrekkige communicatie, maar ook de plaatselijke
normen en gewoonten. Het moeilijkst te organiseren zijn de ongeschoolde arbeiders.
Vaak werken zij in een los dienstverband of zijn slechts gebonden voor een seizoen.
Het is een heterogene steeds wisselende groep van werklieden afkomstig van het platteland
met een lethargische levenshouding vol ongeloof en scepsis die niet of slechts met
grote aarzeling tot organisatie zijn te brengen. In De Voorpost, het vakblad
van de R.K. Steenfabrieksarbeidersbond 'St. Stephanus' schets voorzitter Hendrik
Braam de situatie van vóór 1916 zeer kernachtig:
"De organisatie had reeds een groot gedeelte van onze arbeidende bevolking bereikt,
toen er nog een groep arbeiders slaafden en zwoegden in de steenindustrie, die van
het vereenigingsleven niet het minste begrip hadden."
De eerste poging tot organisatie onder de steenovenarbeiders in Wageningen en Renkum
zien we in 1902 als tijdens een staking bij Costerus te Renkum de Vereeniging
van Steenbakkers en Pannenbakkersgezellen 'Eendracht Maakt Macht' wordt opgericht.
De staking omvat 41 werknemers en duurt drie dagen. De staking gaat verloren, wat
wil zeggen dat de aangekondigde loonsverlaging, als gevolg van de aanschaf van nieuwe
machines, wordt doorgevoerd.18
De vereniging leidt een sluimerend bestaan tot in 1906 de al eerder genoemde staking
bij de Bovenste Polder uitbreekt. Het is deze staking die de aanleiding is tot het
oprichten van de Nederlandsche Bond van Steen- en Pannenbakkers met Wageningen als
zetel. Naast afdelingen in Renkum en Wageningen ontstaan in de loop van 1906 nog
afdelingen in Heerewaarden, Velp en Rheden. Eind 1906 kent de bond circa 300 leden
waarvan 160 te Wageningen. Het doel van de bond is: "De behartiging van de belangen
van alle steen- en pannenbakkers en aanverwante vakgenoten in Nederland, zowel vrouwen
als mannen. De contributie is tien cent per week. Drie cent gaat naar de weerstandskas,
twee cent wordt afgedragen aan het hoofdbestuur en vijf cent is voor het functioneren
van de afdeling zelf. Na de aanvankelijke aanwas in 1906 groeit de bond niet meer.
In 1907 vormt ze samen met de Nederlandsche Glasblazersbond de Nederlandsche
Vereeniging van Glas- en Aardewerkers (NVvGA), die zich op 1 januari 1908 aansluit
bij het NVV.
Volgens een opgave in de Staatscourant in 1906 komt er in dat jaar ook een Rooms-Katholieke
organisatie van steenfabriekarbeiders in Wageningen tot stand. Van deze organisatie
zijn geen nadere gegevens bekend. Naar het schijnt gaat ze in 1916 op in de in dat
jaar opgerichte Nederlandschen Rooms-Katholieke Steenfabrieksarbeiders 'St. Stephanus'.
Zeker is dat niet want in De Voorpost, het vakblad van St. Stephanus, komen we de
afdeling Wageningen voor het eerst in 1919 tegen. De afdeling telt in dat jaar welgeteld
drie leden! Een jaar later zijn dat er echter al tien.19
- Anthonius Johannes Winterink
Een volhardend man in vakorganisatie en partij, dat mag je Toon Winterink wel
noemen. Hij is de pionier van de organisatie van werknemers in de baksteenindustrie
in Gelderland. Met veel vallen en opstaan slaagt hij er uiteindelijk in het steenovenvolk
tot duurzame organisatie te brengen. Winterink is op 24 juli 1880 geboren te Rheden.
Tot zijn elfde volgt hij onderwijs, maar dan is het werken geblazen op de steenfabriek.
De jonge Winterink is niet tevreden met zijn kennis en volgt een algemene tuinbouwopleiding
op de avondschool. De plattelandsomgeving waar hij opgroeit zal deze keus wel in
de hand hebben gewerkt. De tuinbouwopleiding helpt hem echter niet om aan het werk
op de steenfabriek te ontkomen. In 1906 komt op zijn initiatief de steenbakkersvereniging
Sta Pal tot stand. Een jaar later sluit Sta Pal zich aan bij de zojuist opgerichte
Algemeene Vereeniging voor Glas- en Aardewerkers (NVvGA). Winterink komt door
deze aansluiting in het hoofdbestuur van de NVvGA. Het organiseren van steenfabriekarbeiders
verloopt moeizaam en de NVvGA is in deze beroepsgroep niet erg succesvol. Sta Pal
redt het niet en gaat in 1909 ter ziele. Het is waarschijnlijk Winterink die in het
vakblad20 zuur constateert "dat de arbeiders de twaalf cent voor
de contributie liever besteden aan de drank."
Op 26 maart 1911 komen in Wageningen een twaaftal werknemers bijeen om de situatie
in de baksteenindustrie te bespreken. Onder het twaalftal bevinden zich naast Winterink,
de voorzitter van de NVvGA S.P. Baart en J. Oudegeest en J. van der Tempel, voorzitter
en secretaris van het NVV. De conclusie van het twaalftal is dat er een afzonderlijke
organisatie moet komen voor de steenfabriekarbeiders. Gehoopt wordt dat een afzonderlijke
organisatie wel zal slagen de steenbakkers te organiseren, daar waar de NVvGA, die
meerdere beroepsgroepen tot zijn werkterrein rekent niet is geslaagd. Er wordt een
voorlopig bestuur gevormd met Winterink als secretaris. De werkgever van Winterink,
steenfabriek De Groot in Rheden, gooit echter roet in het eten door Winterink te
ontslaan. Het ontslag kent geen ander motief dan dat de werkgever de vakbondsactiviteiten
van Winterink niet ziet zitten. Op het werk van Winterink op de fabriek kan hij niets
aanmerken. De collega's van Winterink gaan in staking met als doel het ontslag ongedaan
te maken. Door gebrek aan organisatie is er geen weerstandkas. Er moet met steunlijsten
worden gewerkt, maar die brengen onvoldoende op, zodat het NVV moet bijpassen om
de stakers van een uitkering te voorzien. De staking gaat verloren. De nieuwe organisatie
voor steenfabriekarbeiders wordt in de kiem gesmoord.
In 1917 treedt Winterink in dienst van de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders
(NVvFA) met als speciale opdracht de steenbakkers te organiseren. Het werkterrein
van de steenfabrieken is daarmee verschoven van de NVvGA naar de NVvFA. Beide organisaties
zijn zusterorganisaties aangesloten bij het NVV. Winterink en de NVvFA slagen in
hun missie. Vanaf 1918 krijgt de organisatie onder de steenfabriekarbeiders vaste
grond onder de voeten. Een aantal factoren spelen daarbij een rol. Met de overgang
van veldoven naar ringoven wordt de werkgelegenheid die de bedrijfstak biedt meer
stabiel, er kan nu gedurende het hele jaar worden gewerkt. De werkgevers in de baksteenindustrie
hebben zich inmiddels hecht aaneengesloten, waardoor het besef van een gemeenschappelijke
'vijand' ontstaat en aan werknemerszijde de behoefte groeit om tegenwicht te kunnen
bieden. De NVvFA die dan al een organisatie is met meer dan 9.000 leden kan dat tegenwicht
bieden. In 1918 reist Winterink het land af om openbare bijeenkomsten met steenbakkers
toe te spreken. De bijeenkomsten worden goed bezocht en slagen in hun doel: de organisatie
versterken. Ook de afdeling Wageningen van de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders
dateert uit die tijd. Winterink is naast zijn vakbondsactiviteiten ook actief in
de politiek. Hij is medeoprichter van de SDAP te Rheden, die er in 1917 in slaagt
om twee zetels in de gemeenteraad te veroveren. Vier jaar later levert dat hem zelfs
een wethouderspost op. Winterink blijft werkzaam voor de vakbeweging tot 1940. In
dat jaar treedt hij terug.21
- wie (tegen)spreekt zal ook niet eten
Actievoerders lopen een groot risico om ontslagen te worden. Dat er in Wageningen
desondanks acties en stakingen zijn gevoerd toont de wanhoop aan waaronder het steenovenvolk
leeft en werkt. De eisen van de stakers zijn in de regel bescheiden. De helft van
alle stakingen kent geen groter eis dan behoudt van loon. En als er al sprake is
van een eis tot loonsverhoging dan is dat vaak een reactie op de wens van de fabrikant
dat er meer moet worden gepresteerd voor hetzelfde loon. Ontslag van een steenfabriekarbeider
heeft verstrekkende gevolgen voor hem en zijn gezin. Meestal werken vrouw en kinderen
mee op dezelfde fabriek. Met zijn ontslag kunnen die ook vertrekken. Als de betrokkene
ook nog in een huis van de baas woont staat hij bovendien ook nog op straat. Het
is tegen deze achtergrond waarin de langstdurende staking in Wageningen moet worden
geplaatst. Op 11 november 1907 leggen 14 werknemers bij de Steenovensweert het werk
neer uit protest tegen het ontslag van een collega. Eigenlijk kent dit conflict nog
een prelude in een soortgelijk conflict bij de Bovenste Polder in oktober. Twee kruiers
die woordvoeder zijn namens de hele groep kruiers worden om dat feit alleen ontslagen.
De overige 12 kruiers gaan daarop in staking, maar hoewel er na 12 dagen staken een
loonsverhoging van 5 cent per ton geloste steenkool uit het conflict voortkomt blijven
de twee kruiers ontslagen.
De staking bij de Steenovensweert, die 187 dagen duurt gaat ondanks de vastberadenheid
van de stakers verloren. De hoofdeis, intrekken van het ontslag van de ontslagen
werkman wordt door J.C. de Ridder, de eigenaar van het bedrijf, geweigerd. Ook de
secundaire eis van loonsverhoging haalt het niet en de werknemers gaan na ruim een
half jaar staken onverrichter zaken weer aan het werk.
In het onrustige jaar 1907 is er eveneens in november nog een staking bij de Maneswaard
met als doel een loonsverhoging af te dwingen. De 13 stakers geven het na zes dagen
op zonder resultaat.
Tornen aan het gezag van de baas is voor hen net zoiets als vloeken in de kerk. Na
afloop van de staking in 1906 bij Costerus in Renkum verschijnt er in het werkgeversblad
De Nederlandsche Klei-Industrie een ingezonden brief waarin ongezouten wordt
weergegeven waar de werknemers horen te staan en vooral waar ze moeten blijven staan:
pet in de hand, nederig een verzoek indienen en verder maar afwachten.
"Het gezag, hier gaat niets
vanaf, moet hoog gehouden worden. Als het zoo ver mocht komen dat de arbeiders baas
werden en deze de lakens uitdeelden, dan kunnen de patroons er het bijltje wel bij
neerleggen, maar laat het aan de arbeiders nu en in het vervolg gezegd zijn, dan
zullen de laatste de dupe worden. Hebben de arbeiders rechtmatige grieven, hetgeen
ons in casu niet bekend is, welnu, dat zij op deze betamelijke wijze ter kennis brengen
en dan twijfelen wij niet of die grieven zullen behoorlijk overwogen en zoo mogelijk
uit den weg worden geruimd."
Het recht op organisatie is in
de baksteenindustrie nog lang niet erkend en het zal nog een groot aantal jaren duren
voordat de arbeidsvoorwaarden door middel van een cao worden geregeld.
- de roerige jaren twintig
De baksteenindustrie blijft de meest roerige bedrijfstak in de gemeente Wageningen.
Welhaast elk jaar is er wel een conflict op de een of andere steenfabriek. Het onrustigste
jaar is wel 1923. Gelijk al na nieuwjaar zit bij de Blauwe Kamer de kat in de gordijnen.
Door een technische verandering in de bedrijfsvoering moeten nu vijf man in plaats
van zeven zorgen voor de verwerking van de stenen. Deze werkverzwaring wordt niet
geaccepteerd en het personeel 26 man sterk gaat in staking. De staking duurt 46 dagen,
maar moet zonder resultaat worden opgegeven.
Wellicht de omvangrijkste staking in de Gelderse baksteenindustrie is die van 1923.
Het verhaal begint in Olburgen (gem. Steenderen) bij de steenfabriek Hoppe &
van der Loo. Op 5 maart gaan 45 werknemers spontaan in staking tegen een afgekondigde
loonsverlaging in de bedrijfstak. De eenzijdig afgekondigde maatregelen zijn dan
ook niet mis: 25 tot 40% loonsverlaging en vijf uur per week langer werken. Hoewel
de staking spontaan uitbreekt ligt de leiding van de acties bij de Nederlandsche
Vereeniging van Fabrieksarbeiders, die aan het eind van de acties met 1149 leden
is betrokken.
Als blijkt dat na twee weken de stakers niet van plan zijn hun actie te stoppen komt
er een tegenactie van werkgeverskant. Bij dertien bedrijven, met circa 1.000 werknemers,
wordt uitsluiting toegepast. Dat leidt van werknemerszijde tot de reactie om nog
200 werknemers in staking te brengen. De reactie van werkgeverszijde is ingegeven
door een afspraak die ze onderling hebben gemaakt in februari 1923, bij toeval dus
vlak voor het uitbreken van deze staking, om in geval van staking bij een van hen
de anderen tot uitsluiting zullen overgaan.
Het patroon van actie (uitsluiting) en reactie (staking) herhaalt zich op 9 april.
Nu worden er bij dertien bedrijven 250 werknemers uitgesloten en 600 werknemers gaan
in staking. Drie weken later, het heeft iets eentonigs, breiden beide partijen de
acties nogmaals uit: uitsluiting elf bedrijven, 350 werknemers, staking elf bedrijven
met 650 werknemers. Ondertussen zijn ook drie Wageningse bedrijven: De Bovenste Polder,
De Blauwe kamer en De Koebongerd in staking. Het totaal aantal werknemers wat bij
de acties is betrokken bedraagt dan circa 3.000 bij zo'n 25 bedrijven. Deze bizarre
strijd eindigt op 30 april met de afspraak dat om arbitrage gevraagd zal worden.
De arbitrage uitkomst is een loonsverlaging van 10 á 15 % en geen werktijdverlenging.
Nog altijd een stevige ingreep in het loon, maar heel wat bescheidener dan het werkgevers
voorstel. Opmerkelijk is wel dat een jaar later in de onderhandelingen voor een nieuwe
cao de loonsverlaging weer geheel ongedaan kan worden gemaakt.22
|