|
- armoede en werkloosheid
Op zondag 18 januari 1795 steekt Stadhouder Willem V met zijn gezin de Noordzee
over om zijn heil in Engeland te zoeken. Hij wijkt uit voor de Franse troepen die
met steun van het Bataafse Legioen de Republiek bezetten. Nederland is weliswaar
een republiek, maar de feitelijke machthebber is een erfelijk potentaat uit het huis
van Oranje-Nassau, die traditioneel de titel van 'stadhouder 'draagt. Met een aantal
staatsgrepen, de laatste nog in 1787, hebben de stadhouders hun macht stap voor stap
uitgebouwd, zodat de Willemen IV en V vrijwel het gezag van een monarch hebben. In
de jaren tachtig van de 18e eeuw wordt, mede door het economische verval, aan die
macht geknaagd. De patriotten, een verbond van achtergebleven en ontevreden groepen,
maken het de 'monarch' zo moeilijk dat deze de hulp vraagt van zijn zwager Frederik
Willem II van Pruisen. De Pruisische vorst is welwillend genoeg om troepen te sturen.
De macht van stadhouder Willem V wordt daarmee - althans voorlopig - hersteld. De
laatste zeven jaren van de Republiek zijn de jaren van gespannen rust van een politiestaat.
De Patriotten verwelkomen de Fransen als bevrijders en roepen de bevolking op zich
de vriendschap van het Franse heldenvolk waardig te tonen. Rond de in tal van plaatsen
geplante vrijheidsboom wordt gefeest met zang en dans. De patriottische sympathiebetuiging
is het begin van de Franse tijd. Een periode die zich kenmerkt door verslechtering
van de toch al niet rooskleurige economie. Er ontstaat een enorme werkloosheid en
een ontstellende armoede die een schaduw werpt over de met zoveel enthousiasme geplante
vrijheidsboom. Aanvankelijk is er nog sprake van een zekere onafhankelijkheid door
het stichten van de Bataafse Republiek die onder leiding staat van de patriotten.
Met Frankrijk wordt een verdrag gesloten waardoor de Republiek een bondgenoot wordt
van Frankrijk in de oorlog met o.a. Engeland. De Engelsen beantwoorden dit met het
blokkeren van de Nederlandse kust en de havens. De Bataafse Republiek neemt de verplichting
op zich 25.000 man Franse militairen te huisvesten en te voeden. Voor de kosten van
de 'bevrijding' moet honderd miljoen worden betaald. Het land wordt hierdoor zowel
letterlijk als figuurlijk leeggegeten. Door de kustblokkade worden de verbindingen
met de gebieden overzee afgesloten en komen de Nederlandse havens nagenoeg stil te
liggen. Het gevolg voor handel en nijverheid laat zich raden. De werkloosheid groeit
almaar en steeds meer mensen uit de lagere bevolkingsgroepen zijn aangewezen op liefdadigheid.
In de winter van 1798-1799 telt bijvoorbeeld Amsterdam 80.000 behoeftige op een totaal
van 200.000 inwoners. Zes jaar later is zelfs de helft van de Amsterdamse bevolking
bedeeld. Met nog meer geestdrift dan bij hun komst wordt het vertrek - in 1813 -
van de Fransen gevierd. Enkele dagen na zijn terugkeer - 30 november 1813 - wordt
erfprins Willem Frederik de eerste koning van het Koninkrijk der Nederlanden. Opmerkelijk
is de tegengestelde gang van zaken. Worden veel Europese landen van monarchie een
republiek; Nederland wordt van republiek een monarchie.
- revolutie op z'n Wagenings
De revolutie van 1795 gaat niet helemaal onopgemerkt aan Wageningen voorbij.
De stad is prinsgezind en de patriottische onlusten van 1786 en 1787 passeren Wageningen
geruisloos en ook in 1795 is er geen merkbare patriottische aanhang. Onder de burgerij
zijn geen uitgesproken revolutionaire elementen. Een Comité Revolutionair
bestaat aanvankelijk niet en evenmin een zogenaamde Vaderlandsche Sociëteit.
Deze instellingen, elders de 'broedplaatsen' van het patriottisme, worden eerst later
in Wageningen opgericht. De Franse troepen trekken op de middag van 16 januari 1795
bij Lexkesveer de Rijn over. Het gemeentebestuur, van de komst van de Franse troepen
goed geïnformeerd, laat zich door uitgezette suppoosten op de hoogte houden
van de vordering van het Franse leger. Een comité van ontvangst gaat de Fransen
tegemoet om ze mee te delen dat het gemeentebestuur genegen is hen te ontvangen op
het gemeentehuis. De stad geeft zich zonder slag of stoot over en de Franse commandant
laat weten als vriend en niet als vijand te zijn gekomen. De schijn dat alles in
pais en vree bij het oude kan blijven, wordt vrijwel onmiddellijk verstoord door
de Franse generaal met de afkondiging dat het Franse muntstelsel wordt ingevoerd
en passant vordert hij ook alle beschikbare kaarten op van de provincies Gelderland,
Utrecht en Holland om zijn zegetocht goed voorbereid voort te kunnen zetten. Voor
alle zekerheid worden ook de voorraden levensmiddelen bij de neringdoenden in de
gemeente opgenomen. De generaal reorganiseert de gemeentelijke organisatie in vijf
departementen. Eerst nadat de Fransen de stad hebben bezet komt in Wageningen de
revolutie opgang. Een vijftiental burgers, zelf noemen ze zich 'het beste gedeelte
der burgerij', besluiten, naar voorbeeld van Arnhem, een Comité Revolutionair
in te stellen. Een strategie om de omwenteling van de macht te bewerkstelligen wordt
afgesproken. Op 31 januari wordt achtereenvolgens: medewerking gevraagd aan de Franse
commandant en de burgerij bijeengeroepen in de kerk om de wisseling van de macht
af te kondigen. Als dat achter de rug is wordt het te hoop gelopen volk vanuit de
raadszaal toegesproken door een venster.1
Erg revolutionair klinkt het allemaal niet en in het Comité Revolutionair
worden zelfs een aantal lieden opgenomen uit het oude gemeentebestuur. Een Vaderlandsche
Sociëteit, ten behoeve van alle "ware vaderlanders" ziet eerst
het licht op 13 april, met als zinspreuk:
"Steeds vrij, gelijk, vereend
te leven,
Is 't grote doel daar wij naar streven."
De zachte omwenteling ten spijt,
het overgrote deel van de bevolking is niet ingenomen met de nieuwe omstandigheden.
Het blijft aanvankelijk beperkt tot minachting van het nieuwe gemeentebestuur slechts
tot uitdrukking gebracht in woord en gebaar. Eerst op 4 september komt de ontevredenheid
echt naar buiten. Het Comité Revolutionair heeft op die dag een volksvergadering
bijeengeroepen in de kerk om te stemmen over een nationale conventie. De talrijke
menigte wordt zo 'opdringerig', er wordt zelfs een steen in de richting van de preekstoel
gegooid, dat het Comité zich genoodzaakt ziet onverrichter zake de kerk te
ontvluchten. Velen verlaten daarop eveneens de kerk om in de stad aan de huizen van
de patriotten 'baldadigheden' te begaan. De burgerij 'in het geweer gekomen' is te
klein in aantal om het tegen de menigte op te kunnen nemen. Van een aantal van hen
wordt het geweer gewoon afgepakt.2 Als de volgende dag de richter in hotel
'De Wereld' enige bestuursaangelegenheden tracht te regelen, dringt het volk ongenood
binnen en scandeert: "Voor den donder Oranje boven" en eist het schenken
van oranjebitter. Aan de onrust wordt bijgedragen door het feit dat het die dag ook
geërfdendag is waardoor er in Wageningen veel volk op de been is uit de omliggende
dorpen Bennekom, Lunteren, Renkum en Ede. De Wageningse richter wendt zich tot het
provinciaal bestuur voor bijstand. Franse troepen, honderd man infanterie en vier
ruiters, worden richting Wageningen gedirigeerd. De Vrijcorpsen uit Arnhem en Tiel
doen met elk honderd man ook een duit in het zakje. Na in Veenendaal de inwoners
te hebben ontwapend worden in Wageningen een aantal van de 'raddraaiers' gearresteerd,
voorzover ze het hazenpad niet hebben gekozen. Voor de leden van de Vrijcorpsen lijkt
het erop dat ze vooral, naast natuurlijk het feit dat ze zich tonen als goede vaderlanders,
uit zijn op een verzetje die nog beloond wordt. Er is genoeg bier en het 'loon' bedraagt
vijftien stuivers per dag.3
Van de vier jaar koninkrijk onder Lodewijk Napoleon en aansluitend de drie jaar Franse
bezetting is niet zo heel veel te merken in Wageningen. Het gevoeligst is nog de
aanslag op de tabaksteelt. Door het continentaal stelsel, het antwoord van Napoleon
tegen de Engelse blokkade kan er geen Amerikaanse tabak worden ingevoerd. Een kans
voor de inlandse tabak ware het niet dat de regering de handel van tabak aan zich
trekt. Alle tabak moet worden afgeleverd in de magazijnen van de 'tabaksregie'. In
de hoop en verwachting er toch iets aan de te kunnen verdienen wordt er door enige
Wageningse heren het initiatief genomen ook in Wageningen een magazijn voor tabak
te stichten. Obligaties ter waarde van f 50 worden aan de man gebracht en
de tabaksboeren krijgen voor elke 50 kilo tabak 10 cent te betaald. De Franse tabaksregie
wordt bereidt gevonden het magazijn te huren. Begin 1813 kan het magazijn aan de
Binnenbleek in gebruik worden genomen. Maar terzelfder tijd vindt Napoleon zijn Waterloo
en de Franse verdwijnen uit ons land. Het fonkelnieuwe magazijn blijft ongebruikt.
De kleine boeren krijgen hun dubbeltjes terug, de heren zelf zien hun investering
in rook opgaan. De leegstand van het magazijn leidt tot verval. In 1874 valt het
gebouw onder de slopershamer.4
- sociale beweging en revolutie in Europa
Op 27 juli 1830 loopt het volk van Parijs te hoop. Net zoals bij de bestorming
van de Bastille in 1783 is de Parijse Juli-Revolutie niet uitsluitend een Franse
aangelegenheid, maar een eerste uiting van onvrede die heerst in belangrijke delen
van Europa. Oproerige bewegingen zijn er in België, Duitsland, Oostenrijk, Italië,
Zwitserland en Polen. Het laten opgaan van België, in het Koninkrijk der Nederlanden,
een gewrocht van het Weense Congres om een buffer tegen Frankrijk te vormen, is geen
succes en houdt al na 15 jaar op te bestaan. De Juli-opstand in Parijs geeft de stoot
tot het Belgische verzet. Deze draagt op een aantal plaatsen, onder meer te Brussel,
een sterk democratisch karakter. Het zijn voornamelijk werklieden die deelnemen aan
de straatgevechten en de troepen de stad uitdrijven. De actiefste onder hen zijn
republikeinen. In Duitsland en Oostenrijk is er voor het eerst sprake van een burgerlijke
revolte. In een aantal steden komt het tot oproer. Het is vooral de Duitse revolutionaire
periode die, onbedoeld, een aanzet is tot het internationalisme. Vele Duitsers die
zich niet met het autocratische bestuur van één van de vele staatjes
die Duitsland dan nog rijk is kunnen verenigingen vluchten en komen voornamelijk
in Zwitserland en Frankrijk terecht. Eenmaal gevrijwaard voor de vervolgingswoede
trachten zij vanuit het gastland invloed uit te oefenen op de Duitse politieke verhoudingen.
In verschillende plaatsen worden legale - en vaker nog illegale - verenigingen opgericht,
die streven naar een radicale verandering in de sociaal-maatschappelijke verhoudingen.
Sympathisanten en vertrouwenslieden worden geworven en er ontstaat een net van steunpunten
met helpers en propagandisten in de belangrijkste plaatsen langs de verkeers- en
handelsroutes van West-Europa. De zo ontstane kleine plaatselijke groepen blijven
geruime tijd op zichzelf aangewezen ook al komen er wel berichten van de centrale
bondsleiding. In cursusbijeenkomsten, waar vooral wordt gesproken over politiek,
geschiedenis, aardrijkskunde en maatschappelijke vraagstukken, zoekt men antwoorden
op de sociale problemen van verleden en heden. Duitse politieke vluchtelingen, in
meerderheid ambachtsman, student of vrije beroepsbeoefenaar, zijn het actiefst in
de internationale propaganda voor het democratisch-republikeins vrijheidsstreven
en in de emancipatiestrijd van de werklieden. Door de uitwisseling tussen de verschillende
nationaliteiten ontdekken deze werklieden alras, dat ertussen hen geen wezenlijke
tegenstelling bestaat en dat ze een gemeenschappelijk belang delen. Onder de elite
van de arbeidende bevolking ontwikkelt zich een klassenbewustzijn die tot internationalisme
leidt. Dit internationalisme baseert zich op de gedachte dat alle volken in harmonie
met elkaar kunnen leven, zonder dat daarbij de culturele eigenwaarde en bodemgebondenheid
wordt ontkend.
- economische crisis
In alle West-Europese landen zijn de jaren 1843-'48 jaren van groot gebrek en
zware ellende. In 1843 is er een economische crisis; daarna zijn er slechte oogsten.
In 1845 en 1846 heerst er aardappelziekte; in 1846 is er een malaria-epidemie en
in de winter van 1847 een griepepidemie. In 1847 is er een nieuwe economische crisis
en er heerst een enorme werkloosheid. Er zijn 470.000 bedeelden op een bevolking
van circa drie miljoen zielen. Ruim 15%! Door het nijpend te kort aan voedsel dreigt
hongersnood. Het tekort aan het voornaamste volksvoedsel: de aardappel, doet ook
de prijzen van graan en andere levensmiddelen stijgen. Het gebruik van jenever stijgt
sterk, door het valse begrip dat in jenever ook voeding zit en de maag vult. Natuurlijk
helpt jenever vooral om, al is het maar kortstondig, de ellende te vergeten. In Nederland
is de economische crisis vooral het gevolg van het ontbreken van een industriële
ontwikkeling en daardoor een gebrek aan werk. Het gebrek aan voedsel leidt tot oproer
en plundering. De tweede helft van de jaren veertig van de negentiende eeuw zijn
jaren van diepe armoede en groot gebrek bij de onderste lagen van de bevolking.5
De negentiende eeuw is voor de arbeidersbevolking van Wageningen een periode van
zwarte armoede, bedeling, slechte huisvesting, huisindustrie, ziekte en hoge sterftecijfers.
Vooral de steenindustrie dwingt, door haar seizoenmatige karakter en slechte betaling,
belangrijke delen van de bevolking de hulp van de publieke liefdadigheid in te roepen.
In sommige jaren moet ruim 10% van de bevolking een beroep doen op de steun. Breekt
er een besmettelijke ziekte uit, dan stijgt het sterftecijfer, in 1865 zelfs tot
28,3â. De jaren rijgen zich aaneen zonder dat er veel veranderd. Het gemeentebestuur
beklaagt zich in 1887 dat de zorg voor de armen steeds zwaarder wordt. Als omstreeks
1890 de tabak volledig van de velden is verdwenen komt ook een deel van de burgerij
in de problemen. De Wageningse landbouw die zich gedurende eeuwen heeft geconcentreerd
op de tabak moet omschakelen.
Bij aanvang van de 20e eeuw is in Wageningen, een stad met dan ruim 9.000 inwoners,
de landbouw nog steeds een belangrijk middel van bestaan. Aardappelen, rogge en haver
zijn nu de voornaamste producten. Tuinbouw is er slechts voor de plaatselijke behoefte,
de rundveestapel is gering, schapen zijn er slechts weinig, maar het fokken van varkens
en de pluimveeteelt nemen enigszins toe. Aan intensivering van het agrarisch bedrijf
wordt weinig gedaan. De handel is van zeer geringe betekenis en de haven wordt slechts
aangedaan door een gering aantal kleine schepen.6
- gaslicht
De eerste openbare verlichting te Wageningen stamt uit de winter van 1724-1725.
Het zijn op palen geplaatste lantaarns. Later worden er ook lantaarns met ijzeren
armaturen aan de gevels bevestigd. In 1837 worden deze lantaarns vervangen door schildlantaarns,
zogenaamde 'reverbéres'. Deze lantaarns zijn maar kort in gebruik geweest,
want als spoedig worden ze 'ingehaald' door de moderne gasverlichting. Begin 1857
krijgt Wageningen een door particulieren opgericht gasverlichtingsbedrijf. Met de
stad wordt een overeenkomst met een looptijd van twintig jaar afgesloten voor het
verlichten van de stad. Op 11 september 1857 kan men voor het eerst in Wageningen
zijn (gas)licht opsteken. In 1860 worden de straten en pleinen verlicht door een
vijftigtal gaslantaarns en zijn een aantal woningen en het merendeel van de winkels
voorzien van gaslicht.7
- cholera
De meest gevreesde ziekte in de 19e eeuw is de cholera, naast de tering en -
vooral in Zeeland - malaria. De cholera komt in vlagen en is zeer besmettelijk. Medici
kunnen slechts gissen naar de oorzaak. Wel zeven keer teistert de gevreesde ziekte
de bevolking in de negentiende eeuw. In de zwaarste epidemie, die van 1848 ñ '49,
komen meer dan 22.000 van de pakweg drie miljoen inwoners die ons land dan telt door
de cholera om het leven. Alle cholera-epidemieën tussen 1832 en 1867 tezamen
vergen tegen de 70.000 slachtoffers. De eerste epidemie in 1832-'33 maakt, door de
onbekendheid, de meeste indruk. Het is opvallend dat de ziekte in Nederland zwaarder
toeslaat dan in de omringende landen. Kennelijk zijn hier de woningen en de hygiëne
nog slechter dan elders. Plaatsen met veel bedeelden worden zwaar getroffen. Een
reisverslag uit 1832 vermeldt: "Waar straten vuilnisbelten en riolen zijn; waar
huizen en hutten een ondragelijke walm bevatten; waar voedsel bestaat uit aardappelen
met azijn; waar mannen, vrouwen en zelfs kinderen zijn uitgemergeld door de jenever
en brandewijn, slaat 'De Ziekte' zonder erbarmen toe."8 De cholera
is een acute, door een bacterie veroorzaakte, besmettelijke darmziekte. De haard
is te vinden in de Gangesdelta, waarvandaan het zich met enige regelmaat naar Europa
en Nederland verbreidt. In Europa wordt de ziekte veelal verspreid via besmet drinkwater.
De cholera is een ziekte van armoede en gebrek aan hygiëne. Nadat Robert Koch
in 1883 de bacil wist aan te tonen die cholera veroorzaakt, is er een vaccin tegen
cholera gevonden. Belangrijker echter voor de bestrijding van de ziekte zijn: betrouwbaar
drinkwater, goede fecaliënafvoer en een behoorlijke persoonlijke hygiëne.
In het midden van de negentiende eeuw is er nog geen sprake van een behoorlijke drinkwatervoorziening
en zijn de straten en grachten nog gewoon open riolen.
Wageningen ligt tussen Rijn, Grebbeberg en Wageningseberg, in het laaggelegen, drassige
gebied van de Gelderse Vallei. Het zijn leraren van de Rijkslandbouwhogeschool die
waarschuwen, dat de bebouwde kom van Wageningen staat op een verrotte bodem. Het
water uit de stadspompen komt uit een sterk vervuilde grond en is een bron van infectieziekte.
Lekkende beerputten, het ontbreken van een tonnenstelsel en de vele mesthopen zijn
de veroorzakers van de vervuiling.9
Er bestaat een boekje met richtlijnen waaraan de in juni 1832 ingestelde Wageningse
commissie zich stipt houdt. De aandacht van de gemeenteraad wordt gevestigd op de
pompen, de goten en de riolen - voorzover aanwezig - die goed moeten worden doorgespoeld
en de huizen goed schoongehouden. Zo zijn er ook voorschriften voor het eten: weinig
groenten wel rundvlees, maar voorzichtig met kippen en ganzen want die kunnen ziek
zijn. Met instemming van de gemeenteraad, die vindt dat aangeschaft moet worden wat
nodig is als maar de grootst mogelijke zuinigheid in acht wordt genomen, richt de
commissie een noodhospitaal in. In oktober wordt het hospitaal in gebruik genomen
als de eerste cholerapatiënt zich meldt. Het aantal patiënten blijft tot
vier beperkt, waar er overigens wel drie van sterven.10
In 1892 wordt Europa opnieuw geteisterd door een cholera-epidemie. Als de ziekte
ook de Nederlandse grenzen bereikt laat de Inspectie van het Geneeskundig Staatstoezicht
de gemeenten weten dat zij in bezit moeten zijn van een inrichting of lokaliteit
waarin besmettelijk zieken verpleegd kunnen worden. De gemeenteraad van Wageningen
besluit om de barak die bij het ziekenhuis aan de Molenstraat staat te gebruiken.
De barak is ruim, fris en wel ingericht en al eerder gebruikt voor het verzorgen
van besmette patiënten. Aan de gevolgen van de epidemie wordt dus aandacht besteed,
maar Wageningen is nog niet toe aan het wegnemen van de veroorzakers. Het kost enige
jaren van voorbereiding voordat op 15 april 1898 de drinkwaterleiding in gebruik
kan worden genomen. Het rioolstelsel komt pas in de jaren twintig in de 20ste eeuw
tot stand. De gemeente geeft wel uitgebreide voorschriften om met hygiëne en
het gebruik van gekookt water de ziekte te voorkomen. Mocht je onverhoopt toch ziek
worden dan zijn er tips hoe te handelen. Er wordt een gezondheidscommissie ingesteld
die de hygiënische omstandigheden in Wageningen moet inspecteren. De commissie
komt in november 1892 met conclusies. De afvoer van huisvuil schiet te kort, de straten
zijn vervuild, er is onvoldoende afvoer van fecaliën en het drinkwater uit de
stadspompen is slecht. Het zijn allen haarden voor besmetting met cholera. Wageningen
komt er gelukkig goed vanaf. Er zijn geen slachtoffers bekend van de cholera-epidemie
van 1892. De angst voor de ziekte is echter wel de aanzet tot verbetering van de
hygiëne in de stad met het oog op de volksgezondheid.11
|