|
|
|
|
Wageningen
|
 |
- de groei van een groene-kennisstad
Het aanzien van Wageningen wordt voor een belangrijk deel bepaalt door de aanwezigheid
van onderwijs- en onderzoekinstellingen op het gebied van agro- en ecokennis. De
stichting Kennisstad Wageningen (KSW) waarin onderzoek- en onderwijsinstellingen,
provincie, gemeente en bedrijfsleven samenwerken heeft tot doel het imago van Wageningen
als groene kennisstad te versterken. Maar Wageningen is meer dan alleen een stad
waar je kunt studeren. Naast het netwerk van onderwijs, onderzoek en kennisintensieve
bedrijvigheid is er een hoog voorzieningenniveau. De binnenstad is een ontmoetingsplek
voor winkelend en uitgaand publiek.
Wageningen heeft slechts een beperkt grondgebied en de stad heeft in belangrijke
mate zijn grenzen bereikt. Uitbreiding voor wonen of werken is vooral nog mogelijk
door 'inbreiding' terwijl uitbreiding buiten de bebouwde kom slechts beperkt kan
plaatsvinden. Hoe belangrijk de Wageningse Universiteit en Research (WUR) in Wageningen
is blijkt uit de overeenkomst tussen gemeente en WUR in 2003 om 40 hectare grond
van de WUR te gaan ontwikkelen. Op de voormalige proefvelden kunnen honderden huizen
worden gebouwd. Met het uitgegeven van de grond wordt in 2006 een start gemaakt.
De WUR besteedt de opbrengsten aan de verdere ontwikkeling van haar 'kennisdorp'
De Born.1 De overeenkomst tussen gemeente en WUR is een typisch voorbeeld
van een win-win situatie.
Wageningen, wat zoveel schijnt te betekenen als 'nederzetting aan stilstaand water',
wordt al in de steentijd bewoond.2 Er zijn overblijfselen uit de Romeinse
en de Frankische tijd aangetroffen. Al in de Middeleeuwen is Wageningen een plaats
van betekenis. Stadsrechten worden in 1263 toegekend.3 Toch moet over
de omvang van de plaats geen al te grote voorstelling worden gemaakt. Gedurende de
16e en 17e eeuw telt Wageningen niet veel meer dan 800 inwoners. Eerst in het midden
van de 18e eeuw zien we enige bevolkingsgroei. De 19e eeuw wordt betreden met circa
1.400 ingezetenen.4 Gedurende de 19e eeuw groeit Wageningen stevig. In
het midden van de eeuw overschrijdt de gemeente het aantal van 5.000 inwoners. Daarvan
woont veertig procent in de stad.5
Begin twintigste eeuw telt de gemeente zo'n 9.000 inwoners. De beroepsbevolking bestaat
uit: keuterboeren, landarbeiders, steenfabriekarbeiders, sigarenmakers en winkelliertjes.
Welvarend is de stad niet ondanks, of misschien wel dankzij, de aanwezigheid van
de steen- en sigarenindustrie.
De bevolking vertienvoudigd na 1800 tot 14.000 zielen in 1937 De groei zet nu stevig
door de bevolking verdubbelt nog eens in minder dan veertig jaar. In 1973 is het
inwonertal 28.140. Na de millenniumwisseling neigt de omvang van de bevolking naar
35.000 (34.745 op 1 januari 2003).
De bevolking van Wageningen is overwegend hervormd van gezindte. In 1859 zijn circa
4.000 ó ruim 75% - van de ruim 5.200 inwoners lidmaten van de Nederlands Hervormde
kerk. De Rooms Katholieke kerk kan rond de 1.100 inwoners tot haar aanhang rekenen,
ofwel zo'n 21%. In 1930 behoort 54% tot de Hervormde kerk. De R.K.-kerk doet het
nog steeds met een aandeel van 21% en is daarmee omvangrijker dan het aantal buitenkerkelijke
(14%).6
Veertig jaar later is de aanhang van de R.K.-kerk qua aandeel nog ongeveer gelijk,
maar die van de Hervormde kerk verder gedaald tot 36%. De buitenkerkelijke vormen
nu de tweede groep met een aandeel van ruim 26%.7
- middelen van bestaan
Gedurende eeuwen vertoont Wageningen het beeld van een stadje, bewoond door enige
handswerklieden, door boeren en enkele landeigenaren. Door de compacte bouw en door
de bestuurlijke inrichting vertoont de plaats stedelijke kenmerken. In het midden
van de 17e eeuw neemt de tabak de eerste plaats in. Het grootste deel van de bevolking
is direct bij de verbouw betrokken als bewerker of eigenaar van de grond. De bloeiende
handel in tabak levert belangrijke inkomsten op voor de stedelijke kas. Neringen
en ambachten spelen slechts een ondergeschikte rol. Er bestaan slechts twee gilden.
Het kramersgilde omvat ook de enkele ambachtslieden, zoals de smeden en een zadelmaker,
die de stad telt. De leden van het snijdersgilde moeten een zware strijd voeren om
het hoofd boven water te houden. De welvaart van de stad is in hoge mate afhankelijk
van de tabak. Het opdrogen van deze bestaansbron in de Franse tijd betekent armoede
en ellende. In de loop van de 19e eeuw verandert aan deze situatie maar weinig. Landbouw
en veeteelt zijn de hoofdbronnen van bestaan, de tabak blijft het hoofdproduct en
de handel daarin praktisch de enige handel die de stad kent. De plaatselijke handel
op week- en jaarmarkten is van geringe betekenis.8
Voor de aanvang van de 19e eeuw is er in Wageningen geen nijverheid die produceert
voor een ruimere markt dan de stad zelf. Uit een brief van de burgemeester van Wageningen
aan de Gouverneur van de provincie Gelderland in 1817 krijgen we een overzicht van
de werkgelegenheid die de nijverheid biedt. In de oliemolens werken vier mensen.
In de houtzaagmolen en de runmolen elk twee werknemers evenals in de touwslagerij.
Verder twee leerlooiers, twee hoedenmakers, twee wevers en twee kuipers. Verder zijn
er nog enige bouwvakkers, een loodgieter, een zadelmaker, een smid, een aantal kleermakers
en schoenmakers en ten slotte 140 landarbeiders. Al met al omvat de nijverheid hooguit
veertig arbeidsplaatsen. De brief verschaft ook enig inzicht in de daglonen. De bouwvakkers
worden het beste betaald. Zij verdienen 80 cent per dag. De wevers en de kuipers
zijn het slechts af, zij moeten het doen met de helft. In 1819 is er ook nog sprake
van een pottenfabriek, maar die is van weinig betekenis.9
- enige industrialisatie
Wageningen ten westen van Arnhem aan de Rijn gelegen houdt zich in het midden
van de 19e eeuw voornamelijk bezig met landbouw, tabaksteelt, vervaardigen van stenen,
pannen en Keuls aardewerk, leerlooierij10 en zeepziederij11.
In 1851 werken er bij de twee steenfabrieken 80, bij de twee pannenfabrieken 51 en
bij de pottenfabriek 13 werknemers. De leerlooierij kent acht werknemers en de vier
sigarenfabrieken gezamenlijk circa twintig. Over de werkgelegenheid bij de zeepziederij
ontbreekt het ons verder aan informatie. In pakweg 30 jaar is de werkgelegenheid
in de nijverheid gegroeid van circa 40 tot ruim 170 werknemers. Aan de hoogte van
de lonen is niet veel veranderd. De hoogst betaalden komen aan een gulden per dag,
maar de meeste moeten het doen met een dagloon van 40 tot 60 cent.12
In 1860 houdt de Gelderse Maatschappij van Landbouw haar provinciale tentoonstelling
in Wageningen, die zowel door ingezetenen als door vreemdelingen wordt bezocht. Uit
het overzicht van de tentoonstelling komen we het volgende te weten. De twee boekdrukkerijen
die de stad telt floreren, terwijl naar het wekelijkse Nieuws- en Advertentieblad
wordt uitgekeken zowel in als buiten de stad. Er is een voor die tijd voldoende aanbod
van onderwijs. Er is gewoon lager, uitgebreid lager en middelbaar onderwijs. Naast
de Latijnse school, twee instituten voor jonge heren, een instituut voor jonge juffrouwen
treffen we de stads-, kost- en dagschool aan. Daarnaast zijn er een stadsburgerschool,
een stadsarmenschool, een diaconieschool voor hervormden en een stads- en een particuliere
bewaarschool. De sigarenfabriek 'La Industria' verschaft aan veel werknemers werk.
Er zijn twee steen- en panovens, een pottenfabriek, een leerlooierij, twee touwslagerijen,
twee windkorenmolens, een stoomkorenmolen, een scheepstimmerwerf en een likeurstokerij.13
Tussen 1876 en 1881 beëindigen de pottenbakkerij, de touwslagerijen en de likeurstokerij
hun activiteiten.14 De Rijnhaven is goed geoutilleerd en de wekelijkse
warenmarkt (woensdagmorgen) heeft een streekfunctie.15
- centrum van onderwijs
Door de komst van de Rijkslandbouwschool in 1876 zal Wageningen uitgroeien
tot een onderwijs- en dienstencentrum. Er ontstaat een geheel eigen 'arbeidsmarktstructuur'
afwijkend van die in de regio. In 1973 telt het tot Landbouwuniversiteit omgedoopte
instituut ca. 3.500 studenten en is het het grootste agrarisch-wetenschappelijk centrum
van Europa met tal van autonome researchinstituten. Bekend zijn beide botanische
tuinen: het Arboretum 'De Dreijen' en het Belmonte-Arboretum. In de gemeente zijn
verder de Stichting voor Bodemkartering en het Nederlands Scheepsbouwkundig Proefstation
gevestigd. Er is een HBO-opleiding voor huishoudkunde en een bakkersvakschool die
later een MBO-opleiding voor de horeca zal worden.
Van de beroepsbevolking is in 1960 3% werkzaam in de landbouw, 37% in de industrie,
60% in de dienstensector. De gemeente Wageningen is niet volledig 'zelfvoorzienend'
in werkgelegenheid. In 1971 vindt ruim 26% van de beroepsbevolking buiten de gemeente
werk.
In 2001 is meer dan de helft van de beroepsbevolking werkzaam in de kennissector.
Qua leeftijdsopbouw, opleiding en sociaal culturele interesse heeft Wageningen een
bijzondere bevolkingssamenstelling. Eén op de vijf inwoners is student. De
bijzondere bevolkingsopbouw komt ook tot uiting in het woningbestand van Wageningen.
De gemeente telt per 1 januari 2003 12.481 woningen. Daarnaast zijn er nog 4.847
wooneenheden voor studentenhuisvesting. |
| |
- R. van Rijnbeek, 'Wageningen
UR en gemeente werken aan 'science park'' in: De Gelderlander (3 juli 2003)
- B.H. Slicher van Bath, 'De naam
Wageningen in verband met de oudste geschiedenis van deze stad' in: Bijdragen en
mededelingen van de Vereniging Gelre (Arnhem 1940) Deel XLIII p. 155-158
- H.W.J. Volmuller, Nijhoffs Geschiedenislexicon
('s-Gravenhage 1981) p. 611
- P. Lourens en J. Lucassen, Inwonertallen
van Nederlandse steden ca. 1300-1800 (Amsterdam 1997) p. 27
- G. van Dolderen, Langs de Rijn
van Arnhem tot Rhenen (Zaltbommel 1983) p. 112
- Winkler Prins Algemeene Encyclopaedie
(Amsterdam 19385) 16e deel p. 303
- Grote Winkler Prins (Amsterdam
19387) 19e deel p. 620
- D. Regeling, De stad der tegenstellingen.
Een sociografie van Wageningen (Wageningen 1933) p. 21-23
- D. Regeling, De stad der tegenstellingen.
Een sociografie van Wageningen (Wageningen 1933) p. 67
- A. Winkler Prins, Geïllustreerde
Encyclopædie. Woordenboek voor wetenschap en kunst, beschaving en nijverheid
(Amsterdam 18872) 14e deel p. 742
- R. Wartena, Statistieke beschrijving
van de steden en het platteland van Gelderland uit 1808 (Arnhem 1986) p. 75. Winkler
Prins deelt in zijn Encyclopedie van 1887 mee dat er een zoutziederij is te Wageningen.
In de statistiek van 1808 is er sprake van een rosoliemolen annex zeepziederij. Olie
waaruit zeep wordt vervaardigd is een logische combinatie. Het is mogelijk dat de
zeepziederij later ook als zoutziederij wordt gebruikt. Echter Winkler Prins doet
geen opgaaf van een zeepziederij. Aangezien andere bronnen niet spreken over een
zoutziederij in Wageningen, de statistiek van 1826 noemt slechts Tiel en Nijmegen,
is het meest aannemelijk dat Winkler Prins zich heeft vergist en voor zeepziederij
een zoutziederij heeft opgegeven.
- D. Regeling, De stad der tegenstellingen.
Een sociografie van Wageningen (Wageningen 1933) p. 68
- G. Goossen Jzn., Geschiedenis
van Wageningen (19772) p. 72
- De gemeente Wageningen: welvaartsbronnen
en ontwikkelingsmogelijkheden (Arnhem 1954) p. 8
- 'Wageningen' in: Encarta 98 Encyclopedie
Winkler Prins Editie 1993-1997
|
| |
| De tekst van Wageningen kunt u
downloaden als wageningen.doc of wageningen.pdf |
| |
|
|
|
|